ECLI:NL:CRVB:2018:3029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op dubbele kinderbijslag voor kinderen met autisme zonder bijkomende beperkingen
Appellante vorderde in hoger beroep toekenning van dubbele kinderbijslag voor haar zoon en dochter, beiden gediagnosticeerd met autisme (Asperger en PDD-NOS) zonder bijkomende lichamelijke beperkingen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had dit geweigerd op basis van adviezen van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en het Beoordelingskader Buk, waarbij de zorgscores onvoldoende waren voor dubbele kinderbijslag.
De rechtbank had de beroepen van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de adviezen van het CIZ zorgvuldig tot stand waren gekomen en dat het Beoordelingskader als vaste gedragslijn kon worden gehanteerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Beoordelingskader te grofmazig is en kinderen met autisme zonder bijkomende problemen hierdoor onterecht worden uitgesloten.
De Raad oordeelde dat het Beoordelingskader geen beleidsregel is maar een vaste gedragslijn die niet in strijd is met geschreven of ongeschreven recht. De Raad verwees naar ministeriële brieven waarin werd bevestigd dat het kader goed toepasbaar is en dat ook kinderen met alleen autisme in aanmerking kunnen komen voor dubbele kinderbijslag.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de adviezen van het CIZ onzorgvuldig of onjuist waren. Appellante had geen concrete of aanvullende stukken overgelegd die haar standpunt ondersteunden. De hoger beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op dubbele kinderbijslag voor haar kinderen met autisme zonder bijkomende beperkingen.