ECLI:NL:CRVB:2018:3466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onduidelijkheid over buitenlands onroerend goed en afwijzing nieuwe aanvragen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet, maar werden onderzocht in het kader van het project 'Vermogen in het buitenland' vanwege hun verblijf en geboorteplaats in het buitenland. Uit onderzoek door het Bureau Attaché Sociale Zaken bleek dat zij onroerend goed in Turkije bezaten, waarvan zij onvoldoende informatie over de waarde verstrekten.
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht schortte en trok de bijstand op grond van artikel 53 van Pro de Participatiewet op vanwege schending van de inlichtingenplicht. Appellanten dienden bezwaren en nieuwe aanvragen in, die het college afwees omdat zij geen objectieve en verifieerbare gegevens over hun vermogen overlegden.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellanten grotendeels ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was, dat de inbreuk op het privéleven proportioneel en subsidiariteit was, en dat appellanten hun inlichtingenplicht hadden geschonden. Ook was onvoldoende aangetoond dat hun situatie was gewijzigd om opnieuw bijstand te rechtvaardigen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het college aannemelijk maakte dat de vergelijkbare zaak niet gelijk was. De Raad bevestigde de intrekking en afwijzing van de aanvragen en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en wijst de nieuwe aanvragen van appellanten af wegens onvoldoende informatie over hun vermogen.