ECLI:NL:CRVB:2007:BA2491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring en stuiting bij terugvordering en invordering van bijstandsuitkeringen
Appellante ontving vanaf november 1996 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Diverse besluiten legden terugvordering van bijzondere bijstand vast, waaronder beslissingen van november 1997, januari 1998 en maart 2002. Het College stelde in 2003 vast dat de openstaande vorderingen € 6.215,07 bedroegen en legde een aflossingscapaciteit van € 123,11 per maand vast.
Appellante maakte bezwaar tegen het invorderingsbesluit, dat deels werd toegewezen door de rechtbank. Het College nam vervolgens een nieuw besluit (besluit 2) met een aangepast terugvorderingsbedrag. Appellante stelde dat de vorderingen verjaard waren, omdat het College meer dan vijf jaar had stilgezeten zonder een volledig invorderingsbesluit te nemen.
De Raad oordeelt dat de verjaring van het recht op invordering is gestuit door een ondubbelzinnige mededeling in het terugvorderingsbesluit van juli 1998, waardoor een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon. Toch was die termijn inmiddels verstreken voor het primaire invorderingsbesluit van november 2003, zodat het recht op invordering van bepaalde vorderingen is verjaard. Het beroep tegen het besluit 2 is gegrond en het besluit wordt vernietigd. Het College moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van bepaalde bijstandsvorderingen is vernietigd wegens verjaring; het College moet een nieuw besluit nemen.