ECLI:NL:CRVB:2019:1460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over dienstbetrekking en uitkeringen wegens onvoldoende motivering
Appellant was werkzaam in een eenmanszaak die hij verkocht aan zijn dochter, die het bedrijf voortzette. Er werd een arbeidsovereenkomst gesloten tussen appellant en werkgeefster, maar na ziekte en faillissement stelde het UWV dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Hierdoor werden Ziektewet- en faillissementsuitkeringen ingetrokken en teruggevorderd, en een WIA-uitkering geweigerd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoeksrapport van het UWV onvoldoende aanknopingspunten bevat om het ontbreken van een gezagsverhouding aannemelijk te maken. De Raad benadrukt dat het UWV de bewijslast draagt en dat appellant tegenbewijs heeft geleverd, onder meer met verklaringen van opdrachtgevers.
Gezien de samenhang tussen de besluiten vernietigt de Raad ook het besluit tot weigering van de WIA-uitkering en draagt het UWV op nieuwe beslissingen te nemen met een betere motivering. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant. Het geschil draait om de vraag of appellant werknemer was in de zin van de Ziektewet en Werkloosheidswet, waarbij de aanwezigheid van een gezagsverhouding centraal staat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en draagt op tot nieuwe, beter gemotiveerde beslissingen.