Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na de ontdekking van een hennepkwekerij in zijn woning in oktober 2013 startte het UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Dit leidde tot herziening van de uitkering en terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, alsmede oplegging van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit deels en stelde de boete lager vast, oordeelde dat het binnentreden in de woning niet onrechtmatig was omdat appellant toestemming had gegeven. Appellant stelde in hoger beroep dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en het gebruik daarvan niet toegestaan mocht worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bewijs niet zodanig onrechtmatig was verkregen dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is, mede vanwege de ondertekende toestemming van appellant. De Raad vernietigde het boetebesluit en verklaarde het beroep gegrond, maar verwierp het beroep tegen het nieuwe besluit waarbij de boete verviel wegens overlijden. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.