Appellant ontving vanaf 20 juni 2014 bijstand als alleenstaande met toeslag, terwijl hij samenwoonde met zijn oudtante X, wat later leidde tot toepassing van de kostendelersnorm en intrekking van de bijstand met terugwerkende kracht. Het college baseerde dit op registratiegegevens en een fraudemelding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant steeds heeft verklaard samen te wonen met X en dat het college hem niet kon verplichten rekening te houden met een onjuiste toekenning van bijstand. De Raad stelt dat het college de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering niet mocht gebruiken omdat het besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor de periode van 20 juni 2014 tot en met 31 augustus 2015, herroept het eerdere besluit en veroordeelt het college tot vergoeding van kosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid bij bestuursrechtelijke intrekkingen met terugwerkende kracht.