ECLI:NL:CRVB:2019:467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college en tariefvaststelling pgb huishoudelijke hulp onder Wmo 2015
Appellant verzocht om een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp (HH1) dat lager werd vastgesteld dan het door de gemeente gecontracteerde natura-tarief. Het college wees bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het lagere pgb-tarief toereikend was. In hoger beroep betoogde appellant dat het college niet bevoegd was een lager tarief vast te stellen en dat het verschil ongerechtvaardigd was.
De Raad oordeelde dat de wetgever voor ogen had dat het pgb-tarief toereikend moet zijn om kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, maar dat het niet per se gelijk hoeft te zijn aan het natura-tarief. Wel moet de wijze van vaststelling van het pgb-tarief concreet in de gemeentelijke verordening zijn opgenomen. De huidige verordening bood onvoldoende grondslag voor het lagere pgb-tarief, waardoor sprake was van een wettelijke leemte.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde het pgb-tarief voor de periode tot 1 januari 2018 zelf vast op het niveau van het natura-tarief. Voor de periode daarna moet het college een nieuw besluit nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het pgb-tarief wordt voor een deel van de periode verhoogd tot het natura-tarief; het college moet een nieuw besluit nemen voor de resterende periode.