Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres] te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat).
Procesverloop
Overwegingen
vervangingvan het bestreden besluit.
De periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 (periode 1)
Het standpunt van verweerder
Het standpunt van eiseres
Het oordeel van de rechtbank
De periode van 1 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 (periode 2)
Het standpunt van verweerder
Het standpunt van eiseres
Het oordeel van de rechtbank
De gemeente moet in de verordening opnemen op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget in de gemeente wordt vastgesteld. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Op grond van artikel 2.3.5 is het college wel gehouden een tarief voor een persoonsgebonden budget vast te stellen dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie.”
“In de verordening moet worden vastgelegd hoe de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; dat zal, gegeven het maatwerkkarakter van de te verstrekken individuele ondersteuning, per maatwerkvoorziening kunnen verschillen. Hier is van belang dat de hoogte van het persoonsgebonden budget, wil een persoonsgebonden budget voor de cliënt een zinvol alternatief zijn, zodanig zal moeten zijn dat de cliënt met het persoonsgebonden budget de vastgestelde ondersteuning ook werkelijk kan inkopen, terwijl anderzijds voor de gemeente van belang is dat dit alternatief slechts zinnig zal zijn wanneer inzetten van een persoonsgebonden budget doelmatiger is, d.w.z. het persoonsgebonden budget niet hoger is dan de kosten van een maatwerkvoorziening dat voor een gemeente door een aanbieder wordt geleverd. Dit lid biedt gemeenten de mogelijkheid om in de verordening te differentiëren tussen de hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele ondersteuning en niet-professionele ondersteuning.”
De periode van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2023 (periode 3)
Het standpunt van verweerder
Het standpunt van eiseres
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van verweerder
“
- basismodule – 125 min. (zwaar en licht) – 10 min. eigen inzet = 115 minuten
- 2 extra kamers in gebruik = 36 minuten
- extra schoonmaakwerkzaamheden = 60 minuten
- wassen en strijken 60 min. – 15 min. eigen inzet = 45 minuten
- extra was, 5x per week = 100 min. – 50 min eigen inzet = 50 minuten
Het standpunt van eiseres
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van verweerder
Het standpunt van eiseres
Het oordeel van de rechtbank
Beslissing
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit,
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het nadere besluit, gegrond;
- vernietigt het nadere besluit;
- herroept het wijzigingsbesluit voor zover daarbij voor de periode van 1 augustus 2019 tot en met januari 2020 een uurtarief van € 11,33 per uur is gehanteerd en bepaalt het uurtarief voor de periode 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 op € 17,10 per uur en voor de maand januari 2020 op € 11,45 per uur;
- herroept het primaire besluit II voor zover daarbij voor de maand februari 2020 een uurtarief van € 11,33 per uur is gehanteerd en bepaalt het uurtarief voor deze maand op € 11,45 per uur;
- herroept het primaire besluit III en bepaalt dat aan eiseres over de periode van 30 maart 2020 tot en met 28 februari 2023 een pgb wordt toegekend voor 6 uur en 10 minuten per week tegen het geldende minimumloon;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde nadere besluit;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig nemen van besluiten dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb heeft verbeurd van in totaal € 3.821,00;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.264,00;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van vergoeding van schade tot een bedrag van € 736,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 4.953,75;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 189,75;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 48,00 aan haar vergoedt.
uitspraak mede te ondertekenen.