ECLI:NL:CRVB:2020:2204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boetebesluit WIA-uitkering afgewezen ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving vanaf december 2011 een WIA-uitkering die het Uwv in december 2013 introk en terugvorderde wegens niet-melding van werkzaamheden. Tegelijkertijd legde het Uwv een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte destijds geen bezwaar tegen deze besluiten, maar verzocht in 2015 om herziening. Het Uwv verlaagde in 2019 de boete op basis van vuistregels tot €7.239,95.
Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat hij door een medewerkster van het Uwv was misleid, waardoor hij de inlichtingenplicht niet zou hebben geschonden, en dat de besluiten herzien moesten worden vanwege financiële ontwrichting. De Raad oordeelde dat deze toezegging niet aannemelijk was en dat de financiële situatie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep gegrond voor zover het boetebesluit werd herzien, maar wees het beroep tegen het nader besluit af. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waarna de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 en het Uwv tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het boetebesluit wordt herzien tot €7.239,95 en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.