Uitspraak
7 juni 2019, 18/4668 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 4.758,87 dat volgens de stukken betrekking heeft op in januari 2018 uitbetaalde 159 verlofuren. Betrokkene stelt dat als gevolg hiervan de 159 uren op zijn verlofkaart moeten worden bijgeschreven. Daarnaast voert hij aan dat de minister ten onrechte geen overzicht van de restant verlofuren vanaf 2015 heeft verstrekt en dat ten onrechte geen bovenwettelijke vakantie-verlofuren over 2018 en 2019 zijn toegekend.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen de salarisspecificatie van augustus 2019 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 september 2019 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de plaatsing in een functie met salarisschaal 13 is afgewezen;
- bepaalt dat betrokkene met ingang van 25 mei 2016 wordt bezoldigd naar salarisschaal 13, met bijbehorende periodiek te rekenen vanaf 1 juli 2011, conform rechtsoverweging 4.7.3;
- bepaalt dat de minister betrokkene moet herplaatsen binnen zijn gezagsbereik binnen drie maanden na de datum van deze uitspraak, zoals is overwogen in rechtsoverweging 4.7.4;
- draagt de minister op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de minister in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.837,50;
- bepaalt dat de minister aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 259,- vergoedt;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 519,- wordt geheven.