ECLI:NL:CRVB:2020:2528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 2009 bijstand en dienden op 23 februari 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag over 2015. Deze aanvraag werd afgewezen omdat deze niet tijdig was ingediend. Later werd een aanvraag over 2017 wel toegekend, maar een latere aanvraag over 2015 en 2016 werd opnieuw afgewezen omdat terugwerkende kracht niet mogelijk is.
Appellant voerde aan dat hij mocht vertrouwen op toezending van aanvraagformulieren door de gemeente en dat informatie over de aanvraagprocedure tekortschiet. Ook stelde hij dat het college een fout had gemaakt door in 2015 met terugwerkende kracht een toeslag toe te kennen over 2014, en dat bijzondere omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel een terugwerkende toekenning rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat volgens artikel 44 PW Pro bijstand wordt toegekend vanaf de dag van aanvraag en dat hiervan alleen kan worden afgeweken bij bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden ontbraken hier omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het niet tijdig indienen hem niet te verwijten was. De door appellant aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om van bijzondere omstandigheden te spreken.
Daarom is de afwijzing van de aanvraag over 2015 en 2016 terecht en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland en wijst het beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om individuele inkomenstoeslag over 2015 en 2016 met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.