ECLI:NL:CRVB:2020:2896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op verhoging Wajong-uitkering ondanks cognitieve beperkingen
Appellante ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering vanwege psychische beperkingen. Het Uwv heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond, stellende dat de beperkingen niet waren onderschat en dat zij de taak 'handmatig bestukken' kan verrichten.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunten herhaald, met name dat de aangenomen beperkingen op hogere cognitieve functies niet verenigbaar zijn met de concentratie die de geselecteerde taak vereist. De Raad onderschrijft echter de rechtbank en oordeelt dat de medische gegevens geen aanwijzingen geven voor concentratieproblemen die het werk onmogelijk maken. De taak is eenvoudig, gestructureerd en vindt plaats in een rustige omgeving.
Appellante voerde ook aan dat haar thuissituatie als alleenstaande ouder met vier kinderen haar verhindert arbeid te verrichten. De Raad acht dit begrijpelijk maar volgt de vaste rechtspraak dat bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rekening wordt gehouden met zorgtaken thuis. Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de Wajong-uitkering bevestigd.