ECLI:NL:CRVB:2021:1135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering letselschadevergoeding als vermogen bij bijstand
Appellant ontving bijstand vanaf 17 februari 2012 en had in 2010 een letselschadevergoeding van €22.500,- ontvangen na een aanrijding. Het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers trok de bijstand in vanwege het niet aanleveren van bewijs over de letselschadezaak en vorderde later een bedrag terug als naderhand verkregen middelen.
De rechtbank stelde het terug te vorderen bedrag vast op €11.311,06 netto, waarbij rekening werd gehouden met een deel immateriële schadevergoeding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de interingsberekening onjuist was, dat rekening gehouden moest worden met een schuld aan zijn vader, dat een deel van de schadevergoeding bestemd was voor medische kosten, en dat hij het bedrag had gebruikt voor levensonderhoud.
De Raad oordeelde dat de situatie op de peildatum van aanvang bijstand beslissend is, dat het dagelijks bestuur de grenzen van verantwoord vermogen mag bepalen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting had of dat het bedrag was gespecificeerd. Ook het gebruik van de vergoeding na beëindiging van de bijstand beïnvloedt het vermogen op de peildatum niet.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €11.311,06 netto als vermogen bij aanvang van de bijstand.