ECLI:NL:CRVB:2021:2143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete en herziening WIA-uitkering wegens niet gemelde inkomsten
Appellante ontving vanaf 30 juni 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering en heeft sinds 1 augustus 2014 werkzaamheden verricht bij [BV] zonder dit te melden aan het Uwv. Het Uwv herzag de uitkering en vorderde onverschuldigde bedragen terug. Tevens legde het Uwv een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de herziening en boete. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij geen verwijt treft omdat zij vertrouwde op informatie van [BV] en dat het Uwv op de hoogte had kunnen zijn van haar werkzaamheden. Ook betwistte zij de hoogte van het terugvorderingsbedrag.
De Raad bevestigt dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het Uwv verplicht was tot herziening en terugvordering. Echter, gelet op de persoonlijke en medische omstandigheden en de rol van [BV], kan appellante geen verwijt worden gemaakt voor het niet melden van haar werkzaamheden. Daarom vernietigt de Raad het boetebesluit en verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft, maar bevestigt het de herziening en terugvordering.
Uitkomst: De boete wegens het niet melden van werkzaamheden wordt vernietigd, maar de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering worden bevestigd.