Uitspraak
19.2909 WIA
29 mei 2019, 18/2801 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, eigenrisicodrager voor de Ziektewet, betaalde ziekengeld aan werkneemster na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het UWV legde een loonsanctie op vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen, welke later werd gewijzigd in een ziekengeldsanctie. De rechtbank vernietigde deze wijziging wegens onrechtmatigheid.
In hoger beroep stelde het UWV dat de wijziging van loonsanctie naar ziekengeldsanctie binnen de bezwaarprocedure viel en geen nieuw primair besluit vereiste. De Raad bevestigde dat artikel 25, elfde lid, en artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA dit toestaan. De wijziging betrof dezelfde herstelsanctie gericht op re-integratie.
De Raad oordeelde dat betrokkene niet tijdig had gemeld dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd, waardoor het UWV niet in haar belangen was geschaad. Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.