Appellant ontving vanaf mei 2014 een Ziektewet-uitkering en vanaf februari 2016 een WIA-uitkering. In mei 2016 werd in zijn woning een hennepkwekerij met 120 planten aangetroffen. Het UWV stelde op basis van politierapporten vast dat appellant inkomsten uit deze kwekerij had en herzag en vorderde de uitkeringen terug over de periode november 2015 tot mei 2016. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de exploitant was en dat de opbrengst hem ten goede kwam. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onder druk stond van derden en geen inkomsten had genoten, en dat de kwekerij pas kort voor ontdekking was opgebouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende grond bestaat voor herziening en terugvordering over de periode 23 november 2015 tot 7 februari 2016, omdat de schending van de inlichtingenplicht pas vanaf 8 februari 2016 aannemelijk is. De Raad beperkte de terugvordering tot €4.673,69 en verlaagde de boete tot €250. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van het UWV gedeeltelijk herroepen.