ECLI:NL:CRVB:2022:2300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschil over WIA-uitkering met 53,74% vaststelling
Appellant, voormalig re-integratiemedewerker, kreeg een WIA-uitkering toegekend met een aanvankelijke arbeidsongeschiktheid van 55,72%, later verhoogd naar 80-100%. Na toegenomen klachten in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij een herbeoordeling vast op 53,74%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn visuele beperkingen onvoldoende in acht waren genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede bestreden besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het UWV bevoegd is tot herbeoordeling en dat de medische en arbeidskundige rapportages voldoende onderbouwd zijn. De visuele beperkingen van appellant zijn onderzocht en meegenomen, waarbij geen verslechtering werd vastgesteld.
Hoewel het tweede bestreden besluit niet volledig deugdelijk was gemotiveerd, wordt dit gebrek gepasseerd omdat de uitkomst niet anders zou zijn geweest. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak bevestigt daarmee de vaststelling van 53,74% arbeidsongeschiktheid per 3 augustus 2018.
Uitkomst: De arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 53,74% en het beroep wordt ongegrond verklaard.