Appellante ontving bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen een boete opgelegd wegens het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X op het uitkeringsadres. De boete werd meerdere malen aangepast en uiteindelijk vastgesteld op €1.538,-. Appellante betwistte dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de boete na de schikking nog van toepassing was.
De Raad oordeelde dat de formele rechtskracht van eerdere besluiten zich alleen uitstrekt tot de rechtsgevolgen, waardoor de feitelijke en juridische oordelen over de gezamenlijke huishouding in deze procedure inhoudelijk konden worden getoetst. Uit diverse onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen, huisbezoek en waarnemingen, bleek dat appellante en X hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en zorg voor elkaar droegen, wat voldoet aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp het verweer dat de boete door de schikking was komen te vervallen en stelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden. Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, zodat de boete van 50% van het benadelingsbedrag passend en evenredig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.