Uitspraak
22 1106 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Appellante heeft verzocht om maatwerk.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds december 2017 in dienst als doofblindenbegeleidster-nachtdienst, viel in februari 2018 uit wegens gezondheidsklachten. Het UWV kende haar een IVA-uitkering toe met een dagloon vastgesteld op €51,79, gebaseerd op loon binnen de referteperiode van 1 februari 2017 tot en met 31 januari 2018.
Appellante verzocht om herziening van het dagloon omdat zij in februari 2018 een onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontving die betrekking had op januari 2018, binnen de referteperiode. Het UWV weigerde dit mee te nemen omdat de ORT buiten de referteperiode werd uitbetaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de ORT niet als vorderbaar en inbaar loon binnen de referteperiode kon worden beschouwd.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De Raad benadrukte dat het Dagloonbesluit restrictief wordt toegepast en dat het loon dat daadwerkelijk binnen de referteperiode is genoten bepalend is voor het dagloon. De Raad oordeelde dat het niet meenemen van de buiten de referteperiode betaalde ORT geen inbreuk maakt op het loondervingsbeginsel en dat er geen grond is om van de wettelijke regels af te wijken.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon wordt bevestigd op €51,79 exclusief de buiten de referteperiode betaalde onregelmatigheidstoeslag.