ECLI:NL:CRVB:2023:1505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot regularisatieovereenkomst sociale zekerheid 2012
Appellant werkte in 2012 op een binnenschip met een Nederlandse eigenaar, maar was verloond via een Luxemburgs bedrijf. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was en wees een verzoek van appellant af om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst waardoor alleen Luxemburgse wetgeving zou gelden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de Svb werd afgewezen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij nagenoeg alleen in België had gevaren en dat de Svb ten onrechte geen overleg had gevoerd met het Luxemburgse bevoegde orgaan.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid van de Svb discretionair is en dat zij niet verplicht is tot overleg met het Luxemburgse orgaan, ook als dat orgaan wel bereid is mee te werken. De Svb past de discretionaire bevoegdheid alleen toe bij bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn aangetoond. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en appellant krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 augustus 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot samenwerking bij een regularisatieovereenkomst over 2012.