Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar partner ontvingen bijstand sinds 2003. In 2018 doorzocht de politie hun woning wegens vermoeden van hennephandel en trof een hennepdrogerij, verdovende middelen en €371.915 aan contanten aan. Het college trok daarop de bijstand vanaf oktober 2018 in en vorderde terugbetaling van €169.141,91 over de periode 2010-2018 wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze besluiten, stellende dat de processen-verbaal uit het strafdossier onrechtmatig waren verkregen en niet gebruikt mochten worden, en dat zij haar verklaringen onder druk had afgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college de verklaringen mocht gebruiken en dat de herkomst van de ontvangen bedragen onduidelijk bleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het gebruik van de processen-verbaal door het college niet onrechtmatig is, mede vanwege het convenant tussen politie en gemeente en toestemming van het Openbaar Ministerie. Ook acht de Raad de verklaringen van appellante betrouwbaar. Appellante heeft de inlichtingenplicht geschonden door het niet melden van ontvangen geldbedragen en de hennepdrogerij. De Raad concludeert dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand aan appellante blijven in stand; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.