Betrokkene ontvangt sinds 2006 bijstand en werd geconfronteerd met terugvordering van bijstand over de periode maart 2019 tot februari 2020 vanwege verzwegen gokactiviteiten. Het college stelde dat zonder een sluitende gokadministratie het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en trok de bijstand in.
De rechtbank vernietigde dit besluit en formuleerde een vuistregel waarbij de hoogte van de gokinkomsten gelijk werd gesteld aan de bedragen die betrokkene in het casino had ingezet of gepind. De Raad bevestigt dat een sluitende administratie bij gokken vrijwel onmogelijk is en dat het college niet zomaar de volledige bijstand kan intrekken zonder een realistische schatting.
De Raad overweegt dat de gokinkomsten in beginsel gelijk kunnen worden gesteld aan de ingelegde bedragen, gebaseerd op uitkeringspercentages van casinospelen. Betrokkene hoeft geen schriftelijke administratie bij te houden, omdat dit praktisch onuitvoerbaar is. Het college kan bij een nieuw besluit ook kasstortingen en bijschrijvingen van derden betrekken.
Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige en realistische vaststelling van het recht op bijstand bij gokactiviteiten.