Betrokkene, een EU-burger ingeschreven voor een bacheloropleiding, vroeg studiefinanciering aan voor diverse perioden. De minister kende studiefinanciering toe voor februari tot en met juli 2021, maar wees de aanvraag voor augustus tot en met december 2021 af. De rechtbank oordeelde dat betrokkene tijdens haar stage als migrerend werknemer moest worden beschouwd en dus recht had op studiefinanciering voor die periode.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de stage primair gericht was op leren en niet op het verrichten van arbeid met economische waarde. De stagevergoeding was laag, er was geen collectieve arbeidsovereenkomst, en de gezagsverhouding was niet typisch voor een arbeidsrelatie. Betrokkene leverde onvoldoende objectief bewijs over de aard van haar werkzaamheden.
De Raad stelde vast dat de stageovereenkomst geen concrete taakomschrijving bevatte en dat de verklaring van betrokkene onvoldoende was om te concluderen dat sprake was van reële en daadwerkelijke arbeid. Ook zag de Raad geen aanleiding om getuigen te horen, omdat betrokkene niet tijdig bewijs had aangeleverd.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrof het recht op studiefinanciering over augustus tot en met december 2021 en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Betrokkene heeft over die periode geen recht op studiefinanciering.