Uitspraak
gezamenlijk: appellanten
PROCESVERLOOP
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het standpunt van de Svb
Het oordeel van de Raad
Centrale Raad van Beroep
Appellanten 1 en 2, werkzaam als Rijnvarenden op Nederlandse binnenschepen, voerden in hoger beroep aan dat de wetgeving van Liechtenstein op hen van toepassing zou moeten zijn. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had echter vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is, omdat appellanten onvoldoende informatie verstrekt hadden om het werkelijke werkland vast te stellen.
De rechtbank had de beroepen van appellanten ongegrond verklaard en oordeelde dat de Svb terecht was uitgegaan van een beredeneerd vermoeden dat een substantieel deel van de werkzaamheden in Nederland was verricht. Appellanten stelden dat zij door de toepassing van de Nederlandse wetgeving onevenredig worden belast en dat regularisatieverzoeken nog niet zijn beslist, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad benadrukte dat de Svb zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat het ontbreken van vaartijdenboeken en andere controleerbare gegevens voor rekening van appellanten komt. De Raad bevestigt dat in dit kader geen plaats is voor een evenredigheidstoets en dat de bestreden besluiten in stand blijven. De hoger beroepen worden afgewezen en appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is en wijst de hoger beroepen van appellanten af.