Betrokkene vroeg een WIA-uitkering aan, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De kern van het geschil betrof de vaststelling van de maatmanarbeid: het UWV stelde deze vast op het laatst verrichte werk bij een lager betaald bedrijf, terwijl betrokkene wilde dat het hoger betaald werk bij een eerder werkgever als maatmanarbeid werd genomen.
De rechtbank oordeelde dat de periode van twee maanden bij het laatst verrichte werk te kort was en dat in dit bijzondere geval het hogere loon bij de eerdere werkgever als maatmanloon moest gelden, waardoor betrokkene meer dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel niet. Volgens vaste rechtspraak is de maatman degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De Raad stelt vast dat de periode van twee maanden niet als zeer kort kan worden beschouwd en dat de omstandigheden bij betrokkene geen uitzondering vormen.
De Raad benadrukt dat de knelpuntenbrieven van het UWV niet relevant zijn voor de maatmanarbeid, maar voor het dagloon. Het beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.