Appellant, met niet-aangeboren hersenletsel, kreeg van het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding. Hij stelde dat het toegekende pgb-uurtarief te laag was en dat de redelijke termijn voor besluitvorming was overschreden.
De Raad herzag het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het pgb-uurtarief onvoldoende was vastgesteld, omdat het lager was dan het minimale tarief gebaseerd op de cao VVT voor begeleiding door personen uit het sociale netwerk. Het college werd opgedragen het uurtarief aan te passen met terugwerkende kracht vanaf 15 januari 2021. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim 22 maanden was overschreden, deels in de bestuurlijke en deels in de rechterlijke fase.
De Raad kende appellant een schadevergoeding toe van in totaal € 3.500,-, waarvan € 1.000,- door het college en € 1.500,- door de Staat werden betaald. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waartegen slechts beroep bij de Raad mogelijk is.