ECLI:NL:CRVB:2024:2121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na onrechtmatig WIA-besluit
Appellante was arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV beëindigde haar WGA-loonaanvullingsuitkering per 1 september 2023 en kende haar een WGA-vervolguitkering toe, wat later werd vernietigd wegens onvoldoende medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuw besluit. Het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade van € 25.000,- werd afgewezen omdat zij onvoldoende medisch bewijs leverde van geestelijk letsel en geen oorzakelijk verband aannemelijk maakte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door het besluit extra psychisch leed had geleden en problemen kreeg bij het verkrijgen van een sociale huurwoning. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende concreet en medisch onderbouwd waren. Ook het ontbreken van een actuele medische beoordeling en de nabetaling konden geen grond vormen voor vergoeding van immateriële schade.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De beslissing is genomen door T. Dompeling op 13 november 2024.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt geestelijk letsel en oorzakelijk verband.