ECLI:NL:CRVB:2024:2450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering Tozo-bijstand wegens niet gemelde huurinkomsten
Appellante, een zelfstandig ondernemer met een kapperszaak, ontving Tozo-bijstand over diverse perioden. Het bestuur stelde dat zij inkomsten had uit de verhuur van een appartement, die niet waren gemeld. Deze huurinkomsten moesten volgens het bestuur in mindering worden gebracht op de bijstand. Appellante betwistte dit en voerde aan dat zij niet vrijelijk over de huurinkomsten kon beschikken en dat deze inkomsten vanwege het noodkarakter van de Tozo niet in mindering mochten worden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat de huurinkomsten als inkomen in aanmerking genomen moeten worden en dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat de Tozo aansluit bij het inkomensbegrip van de Participatiewet en dat de uitzondering in artikel 6 van Pro de Tozo niet van toepassing is op huurinkomsten.
De Raad wijst ook het beroep af dat de regeling onredelijk zou uitpakken en niet in overeenstemming zou zijn met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelt dat de regeling binnen de beleidsruimte van de staatssecretaris valt en dat er geen sprake is van ongelijke behandeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de bijstand blijven in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de Tozo-bijstand blijven in stand.