ECLI:NL:CRVB:2024:455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget na intrekking en terugvordering
Appellante, met een verstandelijke handicap en autismestoornis, had een pgb voor zorg, laatstelijk verleend voor 2018. Na een strafrechtelijk onderzoek naar pgb-fraude bij een zorginstelling, trok het zorgkantoor de verleningsbeschikkingen over 2015-2018 in en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
Appellante vroeg vervolgens een pgb aan voor 2019 en 2020, maar het zorgkantoor weigerde deze aanvragen vanwege eerdere niet-naleving van administratieve verplichtingen en onvoldoende waarborg dat de pgb-taken verantwoord worden uitgevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering ongegrond en het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. De intrekking van eerdere pgb's en terugvordering blijven rechtsgeldig, en de gewijzigde terugvordering doet hieraan niets af. De Raad oordeelt dat de weigering van het pgb terecht is, mede gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de wet. Ook is niet gebleken dat de zorg niet in natura kan worden geleverd, zodat verlening van een pgb niet noodzakelijk is.
De Raad concludeert dat het zorgkantoor tijdig heeft beslist en dat de weigering van het pgb terecht is gebaseerd op de gebrekkige pgb-administratie en onvoldoende waarborg voor verantwoord gebruik. De rechtbankuitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep tegen de pgb-weigering ongegrond en het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.