ECLI:NL:CRVB:2024:592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing recht op kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap Nederland
Appellante, geboren in Nederland en met de Nederlandse nationaliteit, woonde lange tijd in Egypte en keerde in juni 2022 terug naar Nederland. Zij vroeg kinderbijslag aan voor het derde kwartaal van 2022, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellante op 1 juli 2022, de peildatum, geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante geen duurzame persoonlijke band met Nederland had opgebouwd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de intentie had om te blijven, haar gezinsleven zich in Nederland afspeelde, zij onderwijs volgde en er geen aanwijzing was dat zij Nederland zou verlaten. De Raad toetste dit aan de wettelijke criteria voor ingezetenschap volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en vaste jurisprudentie.
De Raad oordeelde dat het enkel hebben van de intentie om te blijven onvoldoende is voor ingezetenschap. Belangrijke factoren zijn onder meer het beschikken over een duurzame woonruimte, de duur van het verblijf en wezenlijke bindingen met Nederland. Appellante verbleef op de peildatum kort in Nederland, had geen zelfstandige woonruimte, haar echtgenoot verbleef in Egypte en zij had geen werk of onderwijs gevolgd. Daarom was er geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Het hoger beroep werd afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellante kreeg geen recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2022. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot weigering van kinderbijslag over het derde kwartaal 2022 wordt bevestigd.