Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
WW-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een WW-uitkering waarbij zij naast het werk waarvoor zij werkloos werd gemiddeld 49,65 uur per maand als zelfstandige mocht werken zonder gevolgen voor haar uitkering. In september 2021 meldde zij 60 gewerkte uren, wat een overschrijding van 10,35 uur betekent. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde daarop haar WW-uitkering over die maand.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht uitging van het aantal uren per kalendermaand, conform de dwingendrechtelijke bepalingen in de WW. Appellante stelde in hoger beroep dat vanwege haar vaste wekelijkse arbeidsomvang de berekening per maand onevenredig en onredelijk was, en dat het aantal uren per week in aanmerking genomen moest worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een maandelijkse berekeningssystematiek om pieken in werkuren te dempen. De situatie van appellante, waarin geen piek maar een vaste wekelijkse arbeidsomvang bestaat, vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijkt van deze systematiek. De Raad volgt de vaste rechtspraak dat de rechter niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen tenzij sprake is van uitzonderlijke niet-verdisconteerde omstandigheden, wat hier niet het geval is.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen, en de verlaging van de WW-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering over september 2021 blijft in stand omdat de maandelijkse berekeningswijze terecht is toegepast.