Belanghebbende was sinds 2011 senior docent en werkte daarnaast als zelfstandige. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst in 2019 vroeg belanghebbende een WW-uitkering aan. UWV kende deze toe met een vrijstelling van 104,73 uur per maand voor zelfstandige werkzaamheden, gebaseerd op de opgave van belanghebbende zonder nader onderzoek.
Appellante, de voormalige werkgever, verzocht in 2021 om herziening van het besluit omdat zij twijfelde aan de juistheid van de opgegeven zelfstandige uren, gezien de combinatie van een fulltime baan en ruim 24 uur zelfstandige werkzaamheden per week. UWV wees het verzoek af en de rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat appellante onvoldoende feiten en bewijs had aangeleverd.
De Raad oordeelt echter dat appellante voldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven tot nader onderzoek door UWV. Omdat belanghebbende weigert mee te werken aan bewijslevering, kan appellante dit niet anders aantonen. Daarom moet UWV het bezwaar opnieuw beoordelen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, draagt UWV op binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen en stelt dat tegen deze nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens veroordeelt de Raad UWV in de proceskosten van appellante en in de griffierechten.