Appellant, een jeugdige met cerebrale parese en lichamelijke beperkingen, vroeg het college Súdwest-Fryslân om een voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het college wees de aanvraag af met het argument dat voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen aanwezig waren om de zorg zelf te bieden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2018 niet voldoet aan artikel 2.9 van de Jeugdwet omdat daarin niet is gedefinieerd wat onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verstaan. De Raad sluit zich aan bij eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de verordening onvoldoende kader biedt voor het besluit.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en kent appellant voor de periode van 18 april 2022 tot en met 31 december 2022 een pgb toe van 18 uur per week tegen een uurtarief van € 20,-. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.