Appellanten ontvingen bijstand sinds 2011 na het faillissement van een cementdekvloerbedrijf. Uit onderzoek, waaronder getuigenverklaringen, WhatsApp-berichten en foto’s op de telefoon van appellant, bleek dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden voor het bedrijf heeft verricht terwijl hij zich presenteerde als volledig arbeidsongeschikt.
Het college van burgemeester en wethouders van Kampen trok de bijstand per 1 april 2019 in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten voerden onder meer aan dat de rechtbank getuigen had moeten horen (Gillissen-arrest), dat de werkzaamheden niet op geld waardeerbaar waren en dat het college onzorgvuldig had gehandeld.
De Raad oordeelde dat het Gillissen-verzoek niet concreet was, de werkzaamheden wel degelijk op geld waardeerbaar waren en dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door niet te melden welke werkzaamheden appellant verrichtte. Het college had geen aanleiding tot nader onderzoek en handelde niet onzorgvuldig.
Appellanten stelden dat het college wegens dringende redenen van terugvordering had moeten afzien, maar de Raad vond dat het college terecht had besloten terug te vorderen. Wel kende de Raad appellanten een schadevergoeding toe van € 2.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar in de bestuurs- en rechterlijke fase.
Het hoger beroep werd afgewezen, de intrekking en terugvordering bleven in stand en de Staat en het college werden veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.