ECLI:NL:CRVB:2025:1451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling dagloon IVA-uitkering en toepassing dagloonregels
Appellant betwistte de vaststelling van zijn dagloon door het UWV voor zijn IVA-uitkering, omdat het UWV loonloze perioden buiten beschouwing liet bij de berekening. Het geschil spitste zich toe op de toepassing van het Dagloonbesluit, waarbij het UWV uitging van het aantal dagloondagen in plaats van het aantal daadwerkelijk gewerkte dagen.
De rechtbank Gelderland vernietigde het oorspronkelijke besluit van het UWV en beval een herberekening, waarna het UWV het dagloon aanpaste. Appellant bleef echter van mening dat de strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredig nadeel leidde en dat het aantal dagloondagen verder verlaagd moest worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld volgens het wettelijk kader en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het Dagloonbesluit rechtvaardigen. De Raad verklaarde het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het derde besluit ongegrond, waardoor het dagloon van € 78,28 gehandhaafd blijft.
De Raad wees erop dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de berekening op basis van dagloondagen en dat nadelige gevolgen voor werknemers die minder dagen werken inherent zijn aan deze systematiek. Ook de persoonlijke omstandigheden van appellant rechtvaardigen geen afwijking van de regels.
Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het dagloon van € 78,28 blijft gehandhaafd.