ECLI:NL:CRVB:2025:1478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering TOZO-bijstand wegens niet gemeld inkomen uit kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant, een zelfstandig ondernemer en taxichauffeur, ontving TOZO-bijstand over de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2021. Na een onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden, waarbij kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekeningen werden vastgesteld, besloot het college de bijstand te herzien en een bedrag van €12.255,37 terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat het ontvangen geld leningen betrof die terugbetaald moesten worden en dat hij bedragen had ontvangen na de verkoop van een auto. Tevens stelde hij dat het college vanwege zijn psychische klachten en de gevolgen van de terugvordering van het bedrag moest afzien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen door derden in beginsel als inkomen worden beschouwd volgens vaste rechtspraak en dat leningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Appellant heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op dringende redenen faalde, omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat de terugvordering onevenredig nadelige gevolgen voor hem heeft.
De Raad wees erop dat appellant de mogelijkheid had om gehoord te worden, maar hiervan geen gebruik maakte. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de terugvordering van de bijstand blijft in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van TOZO-bijstand blijft in stand.