Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een
Centrale Raad van Beroep
Appellant had algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) aangevraagd voor meerdere perioden in 2020. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende deze bijstand toe, maar trok deze later met drie besluiten in en vorderde de bijstandskosten terug vanwege het niet voldoen aan het urencriterium en het ontbreken van financiële schade door de coronacrisis.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat de intrekkingen in strijd waren met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de terugvorderingen beperkt moesten worden op grond van de zesmaandenjurisprudentie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het college verplicht was tot intrekking en terugvordering. De zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing bij verplichte terugvordering. Wel werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure toegewezen, omdat de procedure langer dan vier jaar duurde, met een overschrijding van meer dan een half jaar.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- en proceskosten van € 453,50 aan appellant. Het hoger beroep werd verder afgewezen, waardoor de intrekkingen en terugvorderingen in stand bleven.
Uitkomst: De intrekkingen en terugvorderingen van TOZO-bijstand blijven in stand; appellant ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.