Appellant ontving bijstand vanaf 28 juni 2016, maar na onderzoek naar zijn verblijf en werkzaamheden in Spanje trok het dagelijks bestuur de bijstand per 14 maart 2020 in en vorderde kosten terug over de periode 2016-2020 wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege psychische klachten, verlies van woning en een contactverbod. De Raad oordeelde dat de verklaring van de artspsychotherapeut slechts een opsomming was van klachten die al bestonden vóór de terugvordering en dat geen verband met toename van klachten was aangetoond.
Ook het wegvallen van inkomen en verlies van woning waren het gevolg van de intrekking van de bijstand en eerdere huurachterstanden, niet van de terugvordering. De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur een evenwichtige belangenafweging had gemaakt en dat geen dringende redenen bestonden om terugvordering te matigen.
Verder werd vastgesteld dat de procedure ruim vijf jaar had geduurd, wat de redelijke termijn overschreed. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500,- en proceskostenvergoeding van €453,50. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef in stand.