Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.814,-.
Centrale Raad van Beroep
Deze zaak betreft een geschil over de aanvraag van bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering met terugwerkende kracht. Betrokkene, bewindvoerder van een onderbewindgestelde, had bij het college een aanvraag ingediend die deels werd afgewezen omdat de aanvraag niet tijdig was ingediend volgens artikel 44 van Pro de Participatiewet (PW).
De rechtbank oordeelde dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht moest worden toegekend, mede op basis van het evenredigheidsbeginsel. Het college ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat geen bijzondere omstandigheden bestonden en dat het evenredigheidsbeginsel niet tot bijstandverlening noopt.
De Raad oordeelt dat het college terecht stelt dat bijzondere omstandigheden ontbreken en het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is, maar vernietigt het besluit vanwege een motiveringsgebrek. Daarnaast is vastgesteld dat het college in vergelijkbare gevallen bij herhaling met terugwerkende kracht bijzondere bijstand heeft toegekend, waardoor het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Dit leidt tot de verplichting voor het college om de gevraagde bijzondere bijstand alsnog toe te kennen.
De Raad veroordeelt het college tevens in de proceskosten van betrokkene en bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit en de toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van €297,36.
Uitkomst: Het college moet bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verlenen wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en onvoldoende motivering.