ECLI:NL:CRVB:2025:1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering toeslag Wajong wegens niet doorgeven wijziging gezinsinkomen
Appellante ontving sinds 2014 een Wajong-uitkering met toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het Uwv trok de toeslag over de periode van 1 februari 2018 tot en met 30 november 2020 in en vorderde een bedrag van €17.629,99 bruto terug omdat appellante niet had doorgegeven dat haar ex-partner een Wajong-uitkering ontving, waardoor het gezamenlijke inkomen te hoog was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante stelde dat zij vanwege haar verstandelijke beperking en analfabetisme afhankelijk was van begeleiding en dat het Uwv op de hoogte had moeten zijn van de situatie. Zij voerde aan dat het Uwv onderzoek had moeten doen naar haar woonsituatie en dat zij niet meer samenwoonde met haar ex-partner.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond, omdat het Uwv het bezwaar had gewijzigd en de terugvordering had verlaagd naar €8.815,- bruto. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, maar dat het Uwv bij de belangenafweging voldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en het eigen aandeel. Het beroep tegen de verlaging van de terugvordering werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante en benadrukte het belang van beleidsregels voor de consistente toepassing van het begrip dringende reden bij terugvorderingen.
Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen de verlaging van de terugvordering wordt ongegrond verklaard.