ECLI:NL:CRVB:2025:1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de draagkracht bij toekenning van bijzondere bijstand voor woninginrichting
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toekenning van bijzondere bijstand aan appellant voor de kosten van woninginrichting. Appellant had een lening aangevraagd voor de inrichting van zijn woning, maar het college van burgemeester en wethouders van Haarlem had slechts een deel van het aangevraagde bedrag goedgekeurd. Het college stelde dat appellant draagkracht had in zijn vermogen, wat betekende dat hij zelf een deel van de kosten kon dekken. Appellant betwistte dit, met name omdat hij dwangsommen had ontvangen die hij als schadevergoeding beschouwde voor de trage besluitvorming van de gemeente. De Raad oordeelde echter dat dwangsommen niet als schadevergoeding kunnen worden aangemerkt en dat het college binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven door deze bij de beoordeling van de draagkracht te betrekken. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen, en de toekenning van € 1.935,27 aan bijzondere bijstand bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.