Appellant heeft een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) aangevraagd, waarbij hij stelde dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote en dat diens inkomen niet bij het zijne moet worden opgeteld. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat het gezamenlijke inkomen boven de gehuwdennorm ligt en er sprake is van financiële verstrengeling tussen appellant en zijn echtgenote.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat appellant niet duurzaam gescheiden leeft omdat hij en zijn echtgenote samen eigenaar zijn van de woning, een levensverzekering op elkaars leven hebben afgesloten en financiële banden onderhouden. Dit ondanks het feit dat zij niet samenwonen en sociaal contact beperkt is.
Appellant voerde tevens aan dat de toepassing van de wettelijke bepaling in zijn situatie onevenredig is, maar de Raad stelde vast dat het evenredigheidsbeginsel niet kan worden toegepast tegen gebonden wettelijke uitvoering, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De bewuste keuze van appellant om de financiële verwevenheid te handhaven, waardoor hij niet duurzaam gescheiden leeft, vormt geen bijzondere omstandigheid.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 17 juni 2025.