Uitspraak
PROCESVERLOOP
.Voor appellante is verschenen mr. Kara. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 22 december 2016 een ZW-uitkering en vanaf 18 december 2018 een WW-uitkering. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij niet daadwerkelijk voor werkgever B.V. had gewerkt, maar dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Op basis hiervan trok het UWV de uitkeringen met terugwerkende kracht in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk arbeid had verricht. Appellante voerde in hoger beroep onder meer vooringenomenheid van het UWV aan en stelde dat haar recht op privéleven was geschonden, maar de Raad verwierp deze stellingen. Ook de door appellante overgelegde getuigenverklaringen en stukken uit de strafrechtelijke procedure overtuigden de Raad niet.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende feiten had aangedragen om het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aannemelijk te maken en dat appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De terugvordering van bruto bedragen was terecht en er waren geen dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking en terugvordering bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de ZW- en WW-uitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.