ECLI:NL:CRVB:2026:248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking in familiezorg
Appellante verleende zorg aan haar schoonvader op basis van een zorgovereenkomst van november 2019 tot diens overlijden in juli 2021. Na afloop van haar WW-uitkering en ZW-uitkering weigerde het Uwv haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarbij met name het element van gezag werd betwist.
De rechtbank oordeelde dat arbeid en loon wel aanwezig waren, maar dat een gezagsverhouding ontbrak, mede vanwege de familierelatie en het feit dat toezicht en evaluatie van de werkzaamheden niet door de schoonvader maar door andere familieleden plaatsvond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij consistent werkte zonder instructies en dat de coronasituatie het ontbreken van ziekmeldingen verklaarde. Ook stelde zij dat zij onjuist was geïnformeerd door het zorgkantoor.
De Raad volgde de rechtbank en stelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. De Raad benadrukte dat de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf moet plaatsvinden en dat het niet uitmaakt of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst als arbeidsovereenkomst te kwalificeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking door het ontbreken van een gezagsverhouding.