ECLI:NL:CRVB:2026:373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding verletkosten bij WIA-uitkering na vaststellingsovereenkomst
Appellant diende een WIA-uitkeringsaanvraag in en verzocht het Uwv om vergoeding van verletkosten voor bezoeken aan een verzekeringsarts op 9 mei 2019 en 8 april 2021. Het Uwv kende alleen de reiskosten toe en wees de verletkosten af wegens onvoldoende bewijs van inkomstenderving.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de kosten voor het bezoek in 2019 onder een vaststellingsovereenkomst vielen die finale kwijting gaf over de periode vóór 1 mei 2020. Voor het bezoek in 2021 was geen sprake van onrechtmatig handelen en ontbrak bewijs van schade.
Appellant voerde aan dat de vaststellingsovereenkomst niet bindend was en dat hij als zelfstandige ondernemer recht had op vergoeding van alle tijdsbesteding. De Raad oordeelde echter dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat het verzoek voor 2019 daardoor niet inhoudelijk beoordeeld kan worden.
Voor de kosten na 1 mei 2020 oordeelde de Raad dat geen sprake is van schade door onrechtmatig besluit en dat appellant zijn schade niet heeft onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.