Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:401

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/1362 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 47a PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering AIO wegens schending inlichtingenverplichting pensioen

Appellante ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en werd geconfronteerd met een herziening en terugvordering van deze uitkering omdat zij niet had gemeld dat haar inmiddels overleden echtgenoot pensioeninkomsten uit Frankrijk ontving.

De Sociale verzekeringsbank (Svb) baseerde haar besluit op informatie van het Franse pensioenorgaan Carsat en het Bureau Sociale Zaken, waaruit bleek dat het pensioen daadwerkelijk aan de echtgenoot was uitbetaald. Appellante voerde aan dat sprake was van een persoonsverwisseling en dat zij niet op de hoogte was van het pensioen, maar slaagde er niet in deze twijfel aannemelijk te maken.

De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting geldt voor beide partners als een eenheid en dat appellante zich niet kon beroepen op onbekendheid met de financiële situatie van haar echtgenoot. Ook het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien werd verworpen, omdat de belangenafweging van de Svb niet onevenwichtig was en appellante over een inkomen boven de beslagvrije voet beschikte.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de herziening en terugvordering van de AIO in stand blijven. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de AIO wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellante.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/1362 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 maart 2023, 21/2174 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een herziening en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) van appellante op de grond dat zij in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van pensioeninkomsten die haar inmiddels overleden echtgenoot uit het buitenland ontving. Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat sprake was van een persoonsverwisseling en onjuiste personalia. Appellante was niet op de hoogte van dit pensioen zodat zij de Svb hierover niet kon inlichten. Appellante krijgt daarin geen gelijk. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de Svb op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering van de AIO. Daarin krijgt appellante ook geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Baadoudi, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 februari 2026. Voor appellante is mr. Baadoudi verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante en haar echtgenoot (X) ontvingen sinds 2002 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en vanaf januari 2010 een AIO op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. X is op [datum] 2018 overleden. Met een besluit van 3 augustus 2018 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellante en het recht op AIO daarop aangepast.
1.2.
Met een brief van 3 september 2019 heeft het Franse pensioenorgaan Carsat Nord Picardie (Carsat) de Svb verzocht om een officieel bewijs van overlijden van X. Met een brief van 3 oktober 2019 heeft de Svb vervolgens aan Carsat om informatie over het pensioendossier van X verzocht. Met brieven van 9 december 2019 en 17 januari 2020 heeft de Svb dit verzoek herhaald. Met een brief van 21 juli 2020 heeft Carsat de Svb geïnformeerd over de hoogte van het door X ontvangen pensioen. Daaruit blijkt dat X in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 1 juli 2018 een Frans pensioen heeft ontvangen.
1.3.
De van Carsat ontvangen informatie is voor de Svb aanleiding geweest om met een besluit van 20 augustus 2020 de AIO van appellante vanaf september 2020 vast te stellen op € 249,- per maand. Met een afzonderlijk besluit van 20 augustus 2020 heeft de Svb de AIO van appellante over de periode van januari 2012 tot en met juli 2018 herzien en de gemaakte kosten van AIO tot een bedrag van € 9.655,03 van haar teruggevorderd.
1.4.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de Svb met een brief van 17 september 2020 aan Carsat om nadere informatie gevraagd. Op 21 oktober 2020 heeft Carsat aanvullende informatie verstrekt over de personalia van X, te weten zijn geboortedatum, zijn overlijdensdatum, zijn laatst bekende adres, de datum van zijn huwelijk met appellante en het rekeningnummer waarop Carsat het pensioen van X heeft overgemaakt. Ook heeft Carsat een aantal stukken toegezonden, waaronder het door X ingevulde aanvraagformulier voor een pensioen met een adres in [plaats] (Frankrijk) en een uittreksel uit de toenmalige gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van 9 maart 2011 met de naam en de geboortedatum van X en het adres van appellante en X in Nederland. Met een brief van 9 november 2020 heeft de Svb bij Carsat nogmaals navraag gedaan over de bankrekening waarop het pensioen is overgemaakt. Op 3 maart 2021 heeft Carsat nadere gegevens verstrekt over de bankrekening en de personalia van appellante en X en de aanvraag om pensioen door X in Frankrijk. Daarnaast heeft een toezichthouder van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (Bureau Sociale Zaken) onderzoek gedaan naar onder meer de bankrekening van X waarop het Franse pensioen werd overgemaakt. De onderzoeksbevindingen staan in een rapportage van een buitendienstmedewerker van het Bureau Sociale Zaken van 26 maart 2021. Hierin staat onder meer dat de bankrekening waarop het pensioen is overgemaakt op naam van X staat, dat het Duitse adres in één van de stukken van Carsat een fout moet zijn geweest en dat X bij de lokale autoriteiten van [plaats] bekend is als eigenaar van de woning op het in de pensioenaanvraag van X genoemde adres.
1.5.
Met een besluit van 14 april 2021 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft de Svb de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 20 augustus 2020 gegrond verklaard in die zin dat de AIO vanaf januari 2012 wordt vastgesteld op € 168,43 per maand. De terugvordering is vastgesteld op € 9.411,13. De Svb heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het pensioen van X.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van AIO in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het besluit tot herziening en terugvordering van de AIO is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit brengt in dit geval mee dat de Svb aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting in de periode van januari 2012 tot en met juli 2028 (te beoordelen periode) heeft geschonden en dat zij als gevolg daarvan in die periode minder recht op AIO had.
Schending van de inlichtingenverplichting
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling, omdat in de Franse informatie een Duits adres van X wordt genoemd en sprake is van onjuiste personalia. De Raad begrijpt deze beroepsgrond zo dat appellante aanvoert dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de informatie van Carsat niet ziet op X. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.2.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Svb op basis van de informatie die is verkregen van Carsat en van het Bureau Sociale Zaken aannemelijk heeft gemaakt dat X in Frankrijk pensioen heeft opgebouwd en dat dit pensioen in de te beoordelen periode ook aan hem is uitbetaald. Dat het ging om een pensioen van X volgt uit die informatie en uit de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in de rapportage van 26 maart 2021. Het is vervolgens aan appellante om twijfel te doen rijzen over de juistheid van deze gegevens. Daarin is appellante niet geslaagd. De stelling dat sprake is van een persoonsverwisseling is onderbouwd met een vermelding in één van de stukken van Carsat van een adres van X in Duitsland, waar hij nooit heeft gewoond. Dit is onvoldoende om een persoonsverwisseling aan te nemen. De personalia van zowel X als appellante komen in alle stukken overeen. Daarnaast heeft Carsat het woonadres van appellante vermeld. Dit is hetzelfde adres als het laatst bekende adres van X. Ook heeft Carsat de door X ingevulde pensioenaanvraag en een uittreksel uit de GBA aan de Svb toegestuurd. Gelet op deze gegevens moet de vermelding van een adres in Duitsland onjuist zijn geweest. Bij navraag door de Svb heeft Carsat dit bevestigd en dit adres ook niet meer vermeld.
4.3.
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting ook niet heeft geschonden omdat zij niet op de hoogte was van het pensioen van X en zij de Svb hierover dus niet kon inlichten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Dat berust op het volgende.
4.3.1.
Niet is in geschil dat de in de rapportage van 26 maart 2021 vermelde informatie over het pensioen van X van belang was voor het recht op AIO van appellante en X in de te beoordelen periode.
4.3.2.
In geval van het verlenen van een AIO worden de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de PW betreft. Daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met succes beroepen op onbekendheid met activiteiten en de financiële situatie van de ander. Dit is vaste rechtspraak. [1] Niet in geschil is dat X het pensioen niet gemeld heeft en dus de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu ook appellante de ontvangst van het Franse pensioen niet aan de Svb heeft gemeld, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Dat zij daarvan niet wist, komt gelet op het voorgaande voor haar rekening.
Terugvordering: beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat de Svb op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Appellante heeft in dit verband gewezen op haar hoge leeftijd, haar slechte gezondheidstoestand en haar lage inkomen als gevolg van een onvolledig AOW-pensioen. De schending van de inlichtingenverplichting kan haar in verband met onwetendheid van het pensioen van X niet worden verweten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.4.1.
De Svb is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Svb besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.4.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.4.3.
Op grond van wat appellante naar voren heeft gebracht, heeft de Svb bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De door de Svb ter zitting van de Raad toegelichte belangenafweging getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de Svb, maar doordat X en appellante de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Verder heeft de Svb de terugvordering beperkt tot de periode van januari 2012 tot en met juli 2018, terwijl uit de brief van Carsat van 21 juli 2020 blijkt dat X al vanaf augustus 2003 pensioen uit Frankrijk ontving en appellante en X vanaf januari 2010 AIO ontvingen. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheden zijn niet zo zwaarwegend dat de Svb een andere afweging van belangen had moeten maken. De gestelde onwetendheid van het pensioen van X is daarvoor niet voldoende. Verder zijn de leeftijd van appellante en haar slechte gezondheidssituatie geen gevolg van de terugvordering en beschikt zij over een inkomen boven de beslagvrije voet. Haar inkomen is namelijk hoger dan de voor haar geldende bijstandsnorm voor een kosten delende medebewoner.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening en terugvordering van AIO van appellante in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 47a (zoals deze bepaling luidde vóór 1 januari 2026)
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...] heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.