Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:491

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/892 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWArt. 7:678 BWArt. 7:677 BWArt. 39 AMAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag militair

Appellant, voormalig beroepsmilitair, werd ontslagen vanwege het bezit van harddrugs in 2015 en een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in 2020. Na herroeping van het eerdere ontslagbesluit in 2023 verleende de minister hem opnieuw ontslag per 1 januari 2024. Het Uwv weigerde daarop de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het ontslag gegrond was op een dringende reden en dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant voerde aan dat het tijdsverloop van acht jaar tussen de gedragingen en het ontslagbesluit onevenredig was, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en dat appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 27 WW Pro buiten toepassing zouden moeten laten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag als militair.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2025, 24/3621 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Minister van Defensie (minister)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze zaak dat het Uwv terecht heeft beslist dat de WW-uitkering van appellant per 1 januari 2024 niet wordt uitbetaald, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer. Voor de minister zijn verschenen drs. J. Leijdes en mr. M.L. Beukhof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht. Met een besluit van 11 februari 2016 heeft de minister aan appellant met ingang van 1 maart 2016 ontslag verleend vanwege wangedrag buiten de dienst, te weten het voorhanden hebben van harddrugs op 13 november 2015. Het ontslag is, voor zover hier van belang, gebaseerd op artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Met een besluit van 18 april 2016 heeft het Uwv beslist dat de uitkering van appellant op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 maart 2016 wegens verwijtbare werkloosheid niet wordt uitbetaald.
1.2.
Met een vonnis van 10 december 2020 [1] heeft de rechtbank Noord-Nederland appellant veroordeeld voor verschillende druggerelateerde delicten tussen 1 september 2015 en 12 november 2015. Appellant heeft het hoger beroep tegen dit vonnis op 20 oktober 2022 ingetrokken, zodat het vonnis van de strafrechter onherroepelijk is geworden.
1.3.
Het ontslagbesluit van 11 februari 2016 is met een uitspraak van de Raad van 14 september 2023 [2] herroepen. Met een besluit van 6 december 2023 heeft de minister aan appellant met ingang van 1 januari 2024 ontslag verleend. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant met een onherroepelijk geworden strafrechtelijk vonnis is veroordeeld voor een feit van zodanige aard dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de militair, het ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk is. Met een beslissing op bezwaar van 9 april 2024 heeft de minister het ontslag gehandhaafd. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld. Met een uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank Den Haag [3] het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep ingetrokken.
1.4.
Op 30 december 2023 heeft appellant bij het Uwv een WW-uitkering aangevraagd per 1 januari 2024.
1.5.
Met een besluit van 26 januari 2024 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 1 januari 2024 een WW-uitkering toe te kennen, omdat hij niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Appellant heeft in de referteperiode van 36 kalenderweken voorafgaand aan 2 januari 2024 niet in ten minste 26 kalenderweken loon ontvangen. Op 8 mei 2024 heeft het Uwv aan appellant een voornemen tot wijziging van het besluit van 26 januari 2024 verzonden. Appellant heeft op 21 mei 2024 zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.
1.6.
Met een beslissing op bezwaar van 30 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2024, met een gewijzigde motivering, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat aan de wekeneis is voldaan, maar dat de WW-uitkering van appellant per 1 januari 2024 wegens verwijtbare werkloosheid niet wordt uitbetaald. De minister heeft na de uitspraak van de Raad van 14 september 2023, eind oktober 2023 aan appellant meegedeeld dat het voornemen bestond om appellant ontslag te verlenen en vervolgens appellant met ingang van 1 januari 2024 ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, sub m, van het AMAR. Het ontslag is weliswaar gebaseerd op gedragingen uit 2015, maar het vonnis over die gedragingen is pas op 20 oktober 2022 onherroepelijk geworden. Aangezien aan appellant eerder per 1 maart 2016 ontslag was verleend, was er pas na de uitspraak van de Raad op 14 september 2023 waarbij dat ontslag is herroepen aanleiding voor de minister om op dat vonnis te reageren en een besluit te nemen. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en het geldende drugsbeleid binnen het Ministerie van Defensie, was er volgens het Uwv voor de minister een dringende reden en noodzaak om appellant te ontslaan in het belang van de dienst. Het Uwv heeft de motivering gewijzigd en zich op het standpunt gesteld dat aan het ontslag per 1 januari 2024 een dringende reden ten grondslag heeft gelegen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt en appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Niet in geschil is dat appellant bij vonnis van de rechtbank van 10 december 2020 veroordeeld is voor drugsgerelateerde delicten die hij had gepleegd in 2015 en dat dit vonnis op 20 oktober 2022 onherroepelijk is geworden. Gelet hierop kon van de minister redelijkerwijs niet meer worden gevergd dat hij de aanstelling van appellant zou voortzetten. Appellant had moeten begrijpen dat zijn gedrag voor de minister aanleiding zou kunnen zijn om hem ontslag uit de aanstelling te verlenen. Gelet hierop is het aan appellant om te ontkrachten dat het ontslag aan zijn gedragingen te wijten is. Appellant heeft niet concreet aan de hand van stukken onderbouwd dat hem ter zake geen verwijt kan worden gemaakt. De minister was op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder m, van het AMAR bevoegd om aan appellant als militair ontslag te verlenen. Met een besluit van 6 december 2023 heeft de minister appellant per 1 januari 2024 ontslag verleend. Appellant heeft de ontslaggrond en de daarmee gegeven bevoegdheid tot ontslag van de minister niet bestreden.
2.2.
De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat het ontslag als militair onevenredig lang na de strafbare feiten uit 2015 is gevolgd, zodat om die reden geen sprake meer kan zijn van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank heeft van belang geacht dat de minister op geen enkel moment bij appellant de indruk heeft gewekt dat hij, ondanks de door appellant gepleegde strafbare feiten, geen gebruik zou maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag aan appellant. Tot het herroepen van het eerdere ontslag bestond er geen arbeidsrelatie meer tussen de minister en appellant. Pas na het herleven van de aanstelling, als gevolg van de uitspraak van de Raad van 14 september 2023, was er voor de minister reden om opnieuw te beoordelen of sprake was van een dringende reden voor ontslag. Die dringende reden bestond in de op 20 oktober 2022 onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling van appellant. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang dat deze veroordeling betrekking heeft op feiten uit 2015. De rechtbank is van oordeel dat het vervolgens niet onevenredig lang heeft geduurd totdat de minister aan appellant met een besluit van 6 december 2023 per 1 januari 2024 ontslag heeft verleend. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat appellant niet wordt gevolgd in zijn stelling dat na zo’n lange tijd niet meer van verwijtbare werkloosheid kan worden gesproken en dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat het evenredigheidsbeginsel zich verzet tegen het opnieuw beslissen dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald, gelet op het tijdsverloop van acht jaar tussen de verweten gedragingen en het ontslagbesluit als militair. Deze onevenredigheid heeft de rechtbank volgens appellant niet onderkend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.1.1.
Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
5.1.2.
Op grond van artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
5.2.
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv zich in het bestreden besluit met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW omdat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en appellant ter zake een verwijt valt te maken. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
5.3.
In de uitspraken van 7 november 2018 [4] heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van Pro het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW vervolgens nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt. Zie ook de uitspraak van de Raad van 6 maart 2025. [5]
5.4.
Volgens vaste rechtspraak [6] geldt dat het Uwv is gehouden zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of een aanvrager van een WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. Dat brengt mee dat het Uwv gehouden is zelfstandig te onderzoeken of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en of de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast moet het Uwv na vergaring van de nodige kennis over de relevante feiten zijn beslissing deugdelijk motiveren.
5.5.
In de in 5.3 vermelde uitspraken van 7 november 2018 heeft de Raad overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, niet de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen bepalend is, maar de ontslagreden.
5.6.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht dan in beroep of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven zodat daarnaar wordt verwezen. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.7.
Voor zover appellant heeft aangevoerd dat artikel 27, eerste lid, van de WW in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten, omdat dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet het verbod inhoudt om wetten in formele zin, zoals in dit geval de WW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit voorts mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 [7] en de uitspraak van de Raad van 19 juli 2017 [8] ). Dit neemt echter niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien nietverdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doet zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. Het tijdsverloop van acht jaar tussen de verweten gedragingen en het ontslagbesluit als militair is niet een zodanige omstandigheid. Voor het buiten toepassing laten van artikel 27, eerste lid, van de WW bestaat dan ook geen grond.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van Pro het BW ten grondslag ligt, en dat appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Er zijn geen aanwijzingen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot het niet uitbetalen van de WW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Rb Noord-Nederland 10 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4376.
2.CRvB 14 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1747.
3.Rb. Den Haag 24 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2903.
5.CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:345.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128.
7.HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest).
8.CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622.