Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:605

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
23/1902 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PWArt. 17 PWArt. 44 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding

Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar voerde een gezamenlijke huishouding met appellant zonder dit te melden, wat leidde tot beëindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

Na een melding in januari 2020 startte een onderzoek dat door COVID-19 en andere factoren lange tijd stil lag, waardoor de terugvordering onnodig hoog werd. De Raad oordeelt dat het college de terugvordering met een jaar moet verminderen vanwege de vertraging.

De rechtbank had de besluiten van het college in stand gelaten, maar de Raad vernietigt het besluit over de hoogte van de terugvordering en medeterugvordering en stelt deze vast op €21.641,84 bruto. De beëindiging, intrekking en afwijzing van de nieuwe aanvraag blijven gehandhaafd.

De Raad wijst de kosten van appellanten toe en bepaalt dat het college het betaalde griffierecht vergoedt. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 mei 2026.

Uitkomst: Beëindiging en intrekking van bijstand bevestigd, terugvordering en medeterugvordering verlaagd tot €21.641,84 bruto wegens te lang durend onderzoek.

Uitspraak

23/1902 PW, 24/1717 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 15 mei 2023, 22/2795 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 juli 2024, 23/490 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over de beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante en de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand. Daarnaast gaat het over de medeterugvordering van bijstand van appellant. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden. Appellanten worden wel gevolgd in hun stelling dat het college te lang heeft gedaan over het onderzoek en daardoor het bedrag van de terugvordering en daarmee van de medeterugvordering onnodig hoog is geworden. De Raad voorziet zelf in de zaak en verlaagt deze bedragen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Namens appellanten heeft hij hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft het college met een brief van 16 mei 2025 gewezen op de uitspraken van
10 december 2024 [1] waarin de Raad een ruimere invulling dan voorheen heeft gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet (PW) en gevraagd daarop te reageren. Daarnaast heeft de Raad het college verzocht om stukken toe te sturen die zien op onderzoeken naar het voeren van een gezamenlijke huishouding in de jaren 2013 en 2015.
Met een brief van 30 juni 2025 heeft het college daarop gereageerd en nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel, die ook namens appellant is opgetreden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Graper.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving vanaf 1 mei 1986 bijstand, laatstelijk op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond vanaf 13 september 2012 ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres X te [woonplaats] (uitkeringsadres). De woning op dit adres was destijds eigendom van haar moeder. Appellante huurde daar een kamer van haar moeder. Vanaf 2009 woonde haar moeder in een verzorgingshuis. Appellant stond vanaf
5 juli 2013 ook op het uitkeringsadres ingeschreven en huurde ook een kamer van de moeder van appellante. In 2019 is de moeder van appellante overleden. In datzelfde jaar heeft appellant de woning gekocht en huurde appellante een kamer van appellant in de woning. Appellanten hebben hiervoor op 29 november 2019 een nieuwe huurovereenkomst ondertekend.
1.2.
Naar aanleiding van een melding op 16 januari 2020 van de inkomensconsulent aan de sociale recherche dat appellante over vermogen zou beschikken na het overlijden van haar moeder heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De sociaal rechercheur heeft in het kader van het onderzoek onder meer internetonderzoek gedaan, dossieronderzoek verricht, bankafschriften opgevraagd en gegevens opgevraagd bij diverse bedrijven. Op 11 mei 2022 hebben sociaal rechercheurs een rechtmatigheidsgesprek met appellante gevoerd en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. Bij dat huisbezoek was ook appellant aanwezig. De bevindingen van het onderzoek staan vermeld in een ‘rapport van bevindingen t.b.v. beëindiging recht op algemene bijstand’ van 13 mei 2022 en in een ‘rapport van bevindingen t.b.v. intrekken recht en terugvordering algemene bijstand’ van 24 mei 2022. Op 10 juni 2022 hebben de sociaal rechercheurs een gesprek gevoerd met appellant.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van
11 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 oktober 2022 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante beëindigd vanaf 11 mei 2022. De reden hiervoor is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant op het uitkeringsadres.
1.4.
Verder heeft het college met een besluit van 30 juni 2022 de bijstand van appellante over de periode van 29 november 2019 tot en met 10 mei 2022 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.675,31 bruto van appellante teruggevorderd. Met een afzonderlijk besluit van 30 juni 2022 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.
1.5.
Op 6 juli 2022 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Met een besluit van 25 augustus 2022 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.6. Met een besluit van 12 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 30 juni 2022 en 25 augustus 2022 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door dat niet te melden. De nieuwe aanvraag is afgewezen op de grond dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de PW.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 geoordeeld over het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 en dat beroep ongegrond verklaard. Daarmee heeft de rechtbank bestreden besluit 1 in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 geoordeeld over het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 2 en dat beroep ongegrond verklaard. Daarmee heeft de rechtbank bestreden besluit 2 in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellante is het met beide uitspraken van de rechtbank niet eens. Appellant is het niet eens met aangevallen uitspraak 2. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de beëindiging, intrekking, terugvordering, medeterugvordering van bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt gedeeltelijk. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn, voor zover die hieronder niet ook zijn vermeld, te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De beëindiging, intrekking en terugvordering
4.1.
Besluiten tot intrekking en beëindiging van bijstand zijn voor de betrokkenen belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en beëindiging is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval houdt dit in dat het college aannemelijk moet maken dat appellanten ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.
4.1.1.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW wordt als gehuwd of als echtgenoot ook aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.
4.1.2.
Niet in geschil is dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde, feiten en omstandigheden worden betrokken.
Zorgvuldigheid onderzoek
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat het onderzoek door de sociale recherche niet zorgvuldig is geweest, omdat de verslagen van het gesprek met appellante op 11 mei 2022 en het gesprek met appellant op 10 juni 2022 op essentiële onderdelen onjuist zijn. Appellante stelt dat zij onder druk is gezet en dat zij gedwongen werd om het verslag te ondertekenen. Appellant stelt dat de inhoud van zijn verslag op essentiële onderdelen afwijkt van het transcript dat hij heeft gemaakt van een opname van het gesprek. Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Het verslag van het gesprek met appellante op 11 mei 2022 geeft geen aanleiding om ervan uit te gaan dat appellante op enigerlei wijze onder druk is gezet. In het verslag staat dat appellante vond dat zij netjes werd behandeld, dat zij de verklaring in alle vrijheid heeft kunnen afleggen en dat het haar, na uitleg daarover, nu wel duidelijk is waarom zij daar is. Zij heeft de verklaring zelf gelezen. Na het lezen volhardde zij in haar verklaring en ondertekende zij deze. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verslag onjuist is en dat zij onder druk is gezet om het verslag te ondertekenen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante aan haar verklaring mag worden gehouden.
4.2.2.
Anders dan appellant stelt, wijkt het transcript van het gesprek met appellant niet op essentiële onderdelen af van het door de sociale recherche opgestelde verslag. Het verslag is een zakelijke weergave van het gesprek en bevat geen wezenlijke verschillen met informatie die al uit het dossier naar voren is gekomen.
4.2.3.
Omdat ook overigens niet is gebleken dat het onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, heeft het college de besluitvorming terecht mede gebaseerd op de verslagen van de gesprekken met appellanten.
Financiële verstrengeling/wederzijdse zorg
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat appellante een kamer huurde van appellant en dat geen sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Zij hadden weliswaar hun hoofdverblijf in dezelfde woning, maar er was geen sprake van financiële verstrengeling en/of wederzijdse zorg. Daarom heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.4.
Het onderzoek van de sociale recherche biedt voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat sprake is van wederzijdse zorg en een financiële verstrengeling tussen appellanten die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. De mate van verbondenheid en verantwoordelijkheid voor elkaar gaat verder dan in een zakelijke relatie gebruikelijk is. Dat blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
4.4.1.
Uit de door de sociale recherche bij de Rabobank opgevraagde gegevens is gebleken dat appellante al sinds 12 april 2011 gemachtigde was van de bankrekening van appellant. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat het contract voor de huur van de cv-ketel van de woning op naam van appellante staat en zij de daarvoor verschuldigde huurbedragen betaalt, ondanks dat zij op grond van het huurcontract voor de kamer die zij van appellant huurt bijkomende kosten voor gas, water en licht aan appellant dient te betalen. Ook is vastgesteld dat het contract voor de waterleidingmaatschappij op naam van appellante staat en dat zij de betreffende kosten na de ingangsdatum van de huurovereenkomst (29 november 2019) nog op 21 april 2020 zelf heeft betaald. Voor het overige worden de betalingen via de bankrekening van appellant gedaan. Appellante stelt weliswaar dat appellant de kosten voor de huur van de cv-ketel contant aan haar heeft vergoed, maar zij heeft dat niet aannemelijk gemaakt.
4.4.2.
Verder heeft appellante op 11 mei 2022 verklaard dat zij af en toe met appellant meerijdt om boodschappen te doen, dat zij meestal het huis schoonmaakt met uitzondering van de kamer van appellant, dat zij af en toe de was voor hem doet en ook af en toe voor hem kookt. Dat appellante dit heeft gedaan omdat zij anders eten moet weggooien of geen volle trommel wasgoed heeft is niet relevant, omdat de motieven die tot een gezamenlijke huishouding leiden niet van belang zijn.
Rechtszekerheidsbeginsel/vertrouwensbeginsel en schending inlichtingenverplichting
4.5.
Appellanten hebben betoogd dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, omdat het college in 2013 en 2015 heeft vastgesteld dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en er sindsdien niets is gewijzigd. Appellante heeft daarom de inlichtingenverplichting niet geschonden. Van schending van de inlichtingenverplichting is verder ook geen sprake, omdat appellante de wijzigingen in 2019 heeft doorgegeven. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.5.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de feitelijke situatie sinds de eerdere onderzoeken is gewijzigd door onder meer de koop van de woning door appellant op 27 mei 2019 en het overlijden van de moeder van appellante op [datum] 2019. Zo huurden zowel appellante als appellant in 2013 en 2015 een kamer van de moeder van appellante, terwijl appellante in 2019 een kamer huurde van appellant, die de woning van de moeder had gekocht. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt alleen al hierom niet.
4.5.2.
De stelling dat appellante de wijzigingen van omstandigheden in 2019 bij het college heeft gemeld, slaagt niet. Het college heeft dit bestreden en appellanten hebben hun stelling verder niet aannemelijk gemaakt.
Geen recht op bijstand
4.6.
Nu uit 4.3 tot en met 4.5.2 volgt dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, had zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand van appellante dan ook terecht per 11 mei 2022 beëindigd en ingetrokken over de periode van 29 november 2019 tot en met 10 mei 2022.
De terugvordering: dringende redenen om deels van terugvordering af te zien
4.7.
Uit 4.6 volgt dat het college ook verplicht was tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW, tenzij sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien op grond van artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.8.
Ten aanzien van de terugvordering hebben appellanten aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Het onderzoek door de sociale recherche heeft volgens appellanten lange tijd stilgelegen, waardoor de hoogte van de terugvordering ten onrechte is opgelopen. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.8.1. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals de Raad in de onder het procesverloop genoemde uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.8.2
Het college heeft geen dringende redenen aangenomen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien en heeft daartoe, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De terugvordering is als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante ontstaan. Met bestreden besluit 2 is al voldoende rekening gehouden met de lange duur van het onderzoek, doordat de bijstand pas is teruggevorderd vanaf 29 november 2019 en niet al vanaf een eerdere datum, terwijl appellanten al eerder een gezamenlijke huishouding voerden. Verder betreft het een complexe zaak waarnaar het college zeer grondig onderzoek heeft gedaan, waardoor het onderzoek lang heeft geduurd. Ook de COVID 19-pandemie heeft een rol gespeeld.
4.8.3.
Het college moet weliswaar de tijd worden gegund om grondig onderzoek te doen, maar de Raad is van oordeel dat het onderzoek in dit geval te lang heeft geduurd. Uit de in 1.2 genoemde rapporten blijkt dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding op 16 januari 2020, waarna de sociaal rechercheur dossieronderzoek heeft verricht en administratief vooronderzoek heeft gedaan. Op 16 januari 2020 zijn bij de belastingdienst diverse gegevens over appellanten opgevraagd en verkregen. Op 17 februari 2020 zijn bankafschriften van appellant gevorderd en op 30 april 2020 zijn die verkregen. Vervolgens heeft het onderzoek stilgelegen en is dat pas hervat op 1 en 2 september 2021 met het opvragen van overige gegevens. Op 6 oktober 2021 heeft appellante nog bankafschriften verstrekt en heeft een gesprek met haar plaatsgevonden. Nadien is tot 14 april 2022 niet gebleken van onderzoeksactiviteiten. Dat het onderzoek is vertraagd als gevolg van de belemmeringen in verband met de COVID 19-pandemie, kan worden aangenomen, maar die rechtvaardigen niet de lange duur van het onderzoek. Hierbij is van belang dat die belemmeringen tijdens de pandemie niet steeds even intensief zijn geweest en onverlet laten dat het college in elk geval enig onderzoek had kunnen doen, zoals het opvragen van nadere gegevens. Dat het college de bijstand al vanaf een eerdere datum dan 29 november 2019 had kunnen intrekken en terugvorderen, staat niet vast. Het onderzoek heeft dan ook te lang geduurd. Doordat het college ten onrechte zijn eigen aandeel in het oplopen van het terugvorderingsbedrag niet in de belangenafweging heeft betrokken, heeft het college de terugvordering van appellante in bestreden besluit 2 ten onrechte ongewijzigd gehandhaafd. Bestreden besluit 2 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking
4.8.4.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. De Raad zal met het oog op een definitieve geschilbeslechting en mede gelet op het verzoek van het college daartoe ter zitting, zelf in de zaak voorzien. De Raad acht het, gelet op de totale vertraging in het twee jaar en vier maanden jaar durende onderzoek, redelijk om de periode waarover de bijstand van appellante wordt teruggevorderd met één jaar te verminderen en de hoogte van de terugvordering dienovereenkomstig te verlagen. De Raad sluit voor het bedrag van de verlaging om praktische redenen aan bij het bedrag ter hoogte van de bruto terugvordering over het jaar 2021. De terugvordering over dit jaar bedraagt € 16.033,47 bruto. Daarmee resteert nog een terug te vorderen bedrag van
(€ 37.675,31 - € 16.033,47=) € 21.641,84 bruto.
De medeterugvordering
4.9.
Wat onder 4.8.1 tot en met 4.8.4 is overwogen, betekent dat het college ook de medeterugvordering van appellant in bestreden besluit 2 ten onrechte ongewijzigd heeft gehandhaafd. Bestreden besluit 2 komt ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het bedrag van de medeterugvordering wordt, onder verwijzing naar 4.8.4, vastgesteld op
€ 21.641,84 bruto.
De nieuwe aanvraag
4.10.
Tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag hebben appellanten geen zelfstandige gronden gericht, zodat de Raad deze verder onbesproken laat.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. Aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd. Aangevallen uitspraak 2 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 2 wordt vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van de terugvordering en de medeterugvordering. Het bedrag van de terugvordering en van de medeterugvordering wordt verlaagd tot € 21.641,84 bruto. De beëindiging van de bijstand, de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand blijven dus in stand.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (2 punten, waarde per punt € 666,-), € 1.868,- in beroep (2 punten, waarde per punt € 934,-) en € 1.868 in hoger beroep (2 punten, waarde per punt € 934,-) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 5.068,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt aangevallen uitspraak 1;
  • vernietigt aangevallen uitspraak 2;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 12 januari 2023 gegrond voor zover het de hoogte van de terugvordering en de medeterugvordering betreft;
  • herroept de besluiten van 30 juni 2022 voor zover het de hoogte van de terugvordering en medeterugvordering betreft;
  • stelt het bedrag van de terugvordering en de medeterugvordering vast op € 21.641,84 bruto en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit van 12 januari 2023;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en
D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) R.R. Olde Engberink

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a
Op grond van de PW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.
Artikel 3, derde lid
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 44, eerste lid
Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag dat waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
Artikel 54, derde lid
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 59, tweede lid
Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.