Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:686

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/176 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwArt. 24 Vo 883/2004Art. 25 Vo 883/2004Art. 30 Vo 883/2004Art. 31 Vo 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op heffing buitenlandbijdrage AOW-pensioen woonachtig in België

Appellante, woonachtig in België en ontvanger van een Nederlands AOW-pensioen sinds 9 augustus 2021, werd door het CAK als verdragsgerechtigde aangemerkt en moest een buitenlandbijdrage betalen. Zij betwistte dit op grond van een vermeend prevalerend recht op zorg in België en een foutieve ingangsdatum van de bijdrage.

De Raad oordeelt dat op grond van Verordening 883/2004 artikel 24 de Pro zorgkosten ten laste komen van Nederland omdat appellante geen zelfstandig recht op zorg in België heeft dat prevaleert. Het feit dat zij een solidaire zorgpremie aan de Vlaamse CM-Zorgkas betaalt, leidt niet tot een prevalerend recht. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de communicatie van het CAK voldoende duidelijk was.

De Raad stelt vast dat de heffing van de verdragsbijdrage vanaf 9 augustus 2021 terecht is, ongeacht de latere inschrijving bij het Belgische orgaan. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de totale procedure binnen vier jaar is afgerond.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante vanaf 9 augustus 2021 als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat Nederland terecht een buitenlandbijdrage mag heffen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/176 ZVW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2023, 22/5734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te België (appellante)
CAK (CAK)
Datum uitspraak: 21 mei 2026

SAMENVATTING

Appellante woont in België en ontvangt vanaf 9 augustus 2021 een AOW-pensioen uit Nederland. Vastgesteld wordt dat zij op grond van Vo 883/2004 vanaf die datum recht op medische zorg in België ten laste van Nederland heeft. Nederland mag hiervoor een verdragsbijdrage heffen en innen. Het feit dat het CAK in een besluit een foutieve ingangsdatum van het verdragsrecht en verschuldigdheid van de verdragsbijdrage heeft vermeld, doet hier niet aan af. Appellante moet vanaf 9 augustus 2021 een verdragsbijdrage betalen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd en nog een nader stuk aan de Raad toegezonden. Appellante heeft ook schadevergoeding gevorderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2026. Voor appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot] . Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante woont sinds 23 oktober 1993 met haar echtgenoot in België. Zij ontvangt sinds 9 augustus 2021 een AOW [1] -pensioen. Op 4 augustus 2021 heeft het CAK appellante een brief gestuurd met een uitleg wanneer zij zich op grond van haar AOW-pensioen moet aanmelden bij het CAK als verdragsgerechtigde en is ook een reactieformulier bijgevoegd. Op 20 augustus 2021 heeft appellante op dit reactieformulier vermeld dat zij zich niet als verdragsgerechtigde hoeft te melden bij het CAK, omdat zij een pensioen ontvangt van de Rijksdienst voor Pensioenen uit België. Op 23 februari 2022 heeft appellante een document S1/formulier 121 bij het CAK aangevraagd, om zich als verdragsgerechtigde in te schrijven in België voor het recht op verstrekkingen bij ziekte.
1.2.
In een besluit van 18 maart 2022 heeft het CAK het volgende vermeld: “Het CAK stelt vast dat u per 09-08-2022 verdragsgerechtigde bent. Dit betekent dat u recht heeft op medische zorg in uw woonland. De kosten van deze zorg rekent uw woonland af met Nederland. … Vanaf 09-08-2022 bent u hiervoor een verdragsbijdrage … verschuldigd. Wij laten deze bijdrage inhouden op uw pensioen of uitkering”. Als bijlage is een aanmeldingsformulier S1 gevoegd, waarmee appellante zich voor het recht op verstrekkingen bij ziekte kan aanmelden bij een ziekteverzekeraar in haar woonland België. Op dit formulier is bij onderdeel 4.1 vermeld dat appellante recht heeft op verstrekkingen vanaf 9 augustus 2021.
1.3.
Met een besluit van 22 april 2022 heeft de Svb [2] aan appellante laten weten dat op verzoek van het CAK met ingang van de volgende maand een verdragsbijdrage wordt ingehouden op haar AOW-pensioen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat het CAK in het besluit van 18 maart 2022 heeft vermeld dat zij die verdragsbijdrage pas vanaf 9 augustus 2022 verschuldigd is. De tot die tijd ingehouden bijdragen moeten volgens appellante aan haar worden terugbetaald en overige inhoudingen mogen door de Svb tot 9 augustus 2022 niet worden uitgevoerd.
1.4.
Met een besluit van 11 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Volgens het CAK is in het besluit van 18 maart 2022 een kennelijke verschrijving gemaakt met betrekking tot het jaar. Appellante is verdragsgerechtigde vanaf 9 augustus 2021, de datum waarop zij recht heeft op een AOWpensioen. Dat staat ook vermeld in het aanmeldingsformulier S1. Zij is ook vanaf die datum een verdragsbijdrage verschuldigd.
1.5.
In een besluit van 12 augustus 2022 heeft het CAK vastgesteld dat appellante per 9 augustus 2021 verdragsgerechtigd is en dat zij vanaf die datum een verdragsbijdrage verschuldigd is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank was in het besluit van 18 maart 2022 sprake van een kennelijke verschrijving en is 9 augustus 2021 bedoeld als ingangsdatum van de verdragsgerechtigdheid en de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage. Dit blijkt ook uit de bijlage bij het besluit waarin wel de datum 9 augustus 2021 is vermeld. Van reformatio in peius is geen sprake. Dat appellante verplicht is een zorgpremie via de CM-Zorgkas te betalen doet er niet aan af dat zij verdragsgerechtigde is en een buitenlandbijdrage aan het CAK moet betalen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In hoger beroep heeft appellante als meest vergaande grond opgeworpen dat zij geen verdragsgerechtigde is (en daarmee ook geen bijdrage verschuldigd is) omdat zij een prevalerend recht op zorg heeft in België. Volgens appellante is zij als inwoner van Vlaanderen verplicht aangesloten bij de CM [3] -Zorgkas en moet zij een solidaire zorgpremie voor de Vlaamse sociale bescherming betalen van – in 2021 en 2022 – € 54,- per jaar. Verder heeft het Belgische bevoegde orgaan in formulier S073 volgens appellante bevestigd dat zij een prevalerend recht in België heeft op grond van werkzaamheden.
Het toetsingskader
4.2.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de betrokkene in (hoger) beroep tegen besluiten waarbij een verdragsbijdrage wordt ingehouden of vastgesteld, aan de orde kan stellen of hij terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt. [4] De Raad zal dus beoordelen of appellante een verdragsgerechtigde is in de zin van artikel 69 van Pro de Zvw. [5]
4.2.1.
Appellante is een migrerend Unieburger die een ouderdomspensioen krijgt uit een lidstaat (Nederland) en woont in een andere lidstaat (België). Aan de hand van de regels in titel III van Vo 883/2004 [6] moet worden bepaald ten laste van welke lidstaat appellante recht heeft op zorg. Als de kosten voor rekening van het pensioenland (Nederland) komen en niet van het woonland (België) is appellante verdragsgerechtigde en hiervoor op grond van artikel 30 van Pro Vo 883/2004 in samenhang met artikel 69 van Pro de Zvw een verdragsbijdrage verschuldigd. België mag dan van appellante geen premies of bijdragen heffen voor zorgkosten.
4.2.2.
Op grond van artikel 24 van Pro Vo 883/2004 komt de zorg ten laste van het pensioenland als de gepensioneerde geen recht heeft op zorg krachtens de wetgeving van het woonland en hij recht op zorg zou hebben als hij in het pensioenland zou wonen. Dan is de gepensioneerde dus een verdragsbijdrage verschuldigd. Dit is ook het geval als de gepensioneerde in het woonland een wettelijk recht heeft op zorg alleen omdat hij daar woont. In artikel 25 van Pro Vo 883/2004 is namelijk geregeld – kort gezegd – dat het pensioenland ook verantwoordelijk is voor de kosten van medische zorg voor een gepensioneerde wanneer hij in een lidstaat woont die een ingezetenenstelsel kent. Ook in die situatie mag het pensioenland een bijdrage heffen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad strekt deze bepaling ertoe benadeling te voorkomen van lidstaten die ten aanzien van de zorgverzekering een ingezetenenstelsel hanteren.
4.2.3.
Op grond van artikel 31 van Pro Vo 883/2004 zijn bovengenoemde bepalingen niet van toepassing op een pensioengerechtigde die op grond van de wetgeving van een lidstaat een recht heeft op zorg wegens het verrichten van werkzaamheden, al dan niet in loondienst. Dat betekent dat als appellante in België recht heeft op zorg vanwege haar werkzaamheden, de zorgkosten voor rekening van het Belgische orgaan komen en zij geen verdragsgerechtigde is.
Is er een prevalerend recht in België?
4.3.
Appellante ontvangt een ouderdomspensioen uit Nederland en niet (ook) uit België. Op die situatie is artikel 24 van Pro Vo 883/2004 van toepassing, tenzij sprake is van een prevalerend recht in België. Hiervan is echter geen sprake. Dat appellante als ingezetene van Vlaanderen verplicht is een solidaire zorgpremie te betalen aan CM-Zorgkas voor de Vlaamse sociale bescherming en indien nodig een beroep kan doen op een zorgbudget, betekent niet dat sprake is van een prevalerend recht op zorg in België. Dit blijkt uit artikel 25 van Pro Vo 883/2004. Voor zover appellante van mening is dat zij in België in strijd met artikel 30, tweede lid, van Vo 883/2004 een bijdrage voor de CM-Zorgkas moet betalen, zal zij dit in België moeten aanvechten.
4.4.
Ook van een prevalerend recht op grond van artikel 31 van Pro Vo 883/2004 is geen sprake. Voor de toepassing van dit artikel is vereist dat sprake is van werkzaamheden waaraan een wettelijk recht op zorg is gekoppeld. [7] Uit niets blijkt dat appellante op of na 9 augustus 2021 werkzaamheden heeft verricht, laat staan werkzaamheden waaraan een recht op zorg is gekoppeld. Dit vindt ook zijn bevestiging in formulier S073 van 4 januari 2023. In punt 7.3 wordt de mogelijkheid gegeven aan het Belgische orgaan om de inschrijving voor het recht op verstrekkingen ten laste van Nederland te weigeren op grond van een aantal redenen, waaronder 01 – “Verzekerd als loontrekker of zelfstandige in de lidstaat van woonplaats”. Het Belgische orgaan heeft, in tegenstelling tot wat appellante meent, op het formulier geen reden voor weigering tot inschrijving vermeld. Het Belgische orgaan heeft juist met de inschrijving bevestigd dat geen prevalerend recht in België bestaat en dat de zorgkosten ten laste komen van Nederland.
4.5.
Dit betekent dat het CAK appellante op grond van artikel 24 van Pro Vo 883/2004 terecht als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt vanaf de ingangsdatum van haar pensioen op 9 augustus 2021. Zij heeft vanaf die datum recht op zorg in haar woonland België ten laste van Nederland. Hieraan kan niet afdoen dat in het besluit van 18 maart 2022 de datum 9 augustus 2022 is genoemd. De status van appellante als verdragsgerechtigde vloeit rechtstreeks en dwingend voort uit artikel 24 van Pro Vo 883/2004. Het CAK is niet bevoegd de verzekeringspositie van appellante anders vast te stellen dan uit het Unierecht voortvloeit. [8]
Vanaf wanneer mag Nederland een verdragsbijdrage heffen?
4.6.
Op grond van artikel 69 van Pro de Zvw in verbinding met artikel 30, eerste lid, van Vo 883/2004 is Nederland bevoegd tot het heffen en innen van een verdragsbijdrage van verdragsgerechtigden. In beginsel bestaat deze bevoegdheid vanaf het moment dat een persoon verdragsgerechtigde is. Hieraan doet niet af dat een inschrijving bij het bevoegde orgaan van de woonplaats pas op een later tijdstip, in dit geval op 4 januari 2023, heeft plaatsgevonden. Vaste rechtspraak van de Raad is dat een persoon in de situatie van appellante de verdragsbijdrage altijd verschuldigd is, ook als zij zich met dit formulier niet heeft inschreven bij het orgaan van de woonplaats. [9] Afgezien hiervan heeft het CAK ter zitting van de Raad opgemerkt dat de inschrijving bij het Belgische orgaan met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2021 heeft plaatsgevonden en dat gebleken is dat in ieder geval in 2022 kosten van medische zorg zijn gedeclareerd. Ook heeft het CAK te kennen gegeven dat als appellante nog kosten van medische zorg heeft gemaakt in België of in de Europese Unie die nog niet zijn vergoed, zij deze alsnog in België kan indienen.
4.6.1.
Voor zover appellante heeft bedoeld dat in de periode vóór de inschrijving op 4 januari 2023 bij het Belgische orgaan geen onderlinge vergoeding van kosten van medische zorg tussen België en Nederland zal hebben plaatsgevonden en zij daarom tot 4 januari 2023 geen verdragsbijdrage verschuldigd is, overweegt de Raad het volgende. In de eerste plaats klopt deze veronderstelling van appellante feitelijk niet. Het CAK heeft ter zitting van de Raad laten zien dat er in ieder geval in 2022 kosten voor medische zorg die in België zijn gemaakt, door België bij Nederland zijn gedeclareerd. Maar overigens is dit niet relevant voor het heffen van een verdragsbijdrage. De Raad heeft in eerdere rechtspraak overwogen dat de wijze waarop kosten voor verstrekkingen door de lidstaten onderling worden afgerekend geen rechtsgevolgen heeft voor de verhouding tussen het bevoegde orgaan van een lidstaat en de verdragsgerechtigde. [10] Dus ook als er geen onderlinge verrekening van zorgkosten zou plaatsvinden tussen Nederland en België, mag Nederland een verdragsbijdrage heffen en innen.
4.7.
Appellante vindt dat het CAK gehouden kan worden aan het besluit van 18 maart 2022 waarin is vermeld dat zij pas vanaf 9 augustus 2022 een verdragsbijdrage is verschuldigd. De Raad vat deze grond op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Deze grond slaagt niet.
4.7.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is ten eerste vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Naar het oordeel van de Raad is aan dit vereiste niet voldaan. Appellante heeft in de gegeven omstandigheden uit het besluit van 18 maart 2022 niet redelijkerwijs kunnen en mogen afleiden dat zij pas vanaf 9 augustus 2022 verdragsgerechtigde werd en ook vanaf die datum pas een verdragsbijdrage verschuldigd was. Voor dit oordeel acht de Raad van belang dat het CAK in een brief van 4 augustus 2021 aan appellante heeft uitgelegd dat zij op grond van haar AOW-pensioen mogelijk recht heeft op medische zorg in België ten laste van Nederland en dat zij daardoor mogelijk verplicht is zich aan te melden bij het CAK. Hierbij is vermeld dat zij zich dan met een aanmeldingsformulier kan inschrijven bij de zorgverzekeraar in het woonland en een verdragsbijdrage verschuldigd zal zijn. Dit geldt niet als appellante een wettelijk pensioen uit België ontvangt en daar verplicht verzekerd is tegen ziektekosten. Vervolgens heeft appellante – kennelijk ten onrechte – aan het CAK laten weten een wettelijk pensioen uit België te ontvangen. Ter zitting van de Raad heeft de echtgenoot van appellante uitgelegd dat dit betrekking had op zijn Belgische pensioen dat tot de pensioengerechtigde leeftijd van appellante als familiepensioen aan hem en appellante werd uitgekeerd. Voor zover appellante mocht menen dat dit pensioen tot een prevalerend recht in België zou leiden, was dit met ingang van 9 augustus 2021 in ieder geval niet meer aan de orde. Verder is bij het besluit van 18 maart 2022 als bijlage een S1 formulier bijgevoegd waarmee appellante zich kon inschrijven bij het Belgische orgaan voor het recht op verstrekkingen bij ziekte. In dat formulier is als begindatum voor het recht op verstrekkingen de datum 9 augustus 2021 vermeld. Op grond van deze omstandigheden had het voor appellante duidelijk moeten zijn dat in het besluit van 18 maart 2022 een verschrijving heeft plaatsgevonden in het jaar en dat dit 2021 moest zijn, wat ook overeenkomt met de ingangsdatum van haar AOWpensioen. Bij twijfel hierover had zij contact moeten opnemen met het CAK.
Is de redelijke termijn overschreden?
4.8.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM [11] .
4.8.1
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling bij de Raad ten hoogste twee jaar. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Er is geen aanleiding om in dit geval van deze termijn af te wijken.
4.8.2
De redelijke termijn begint op het moment dat appellante het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 april 2022 heeft ingediend, in dit geval op 26 mei 2022. De Raad doet uitspraak op 21 mei 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. De fase van bezwaar, beroep het hoger beroep gezamenlijk heeft namelijk niet langer dan vier jaar geduurd.
4.8.3.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het CAK appellante terecht met ingang van 9 augustus 2021 als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt en vanaf die datum een verdragsbijdrage mag heffen en innen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Zorgverzekeringswet
Artikel 69
1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het CAK aan.
2. De personen, bedoeld in het eerste, vijftiende en zestiende lid, zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd.
(…).
Verordening (EG) nr. 883/2004
Artikel 24Geen recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats
1. Degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, ontvangt desalniettemin verstrekkingen voor zichzelf en zijn gezinsleden voorzover hij hierop recht zou hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat, of van minstens een van de lidstaten die voor zijn pensioenen bevoegd is, indien hij in die lidstaat zou wonen. De verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat.
(…)
Artikel 25 – Pensioenen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten dan de lidstaat van de woonplaats in gevallen waarin er een recht op verstrekkingen in de lidstaat van de woonplaats
Ingeval degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten, woont in een lidstaat waarvan de wetgeving voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake verzekering of inzake het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden, en waarvan de betrokkene geen enkel pensioen ontvangt, komen de kosten voor verstrekkingen voor de betrokkene en zijn gezinsleden voor rekening van het krachtens de regels van artikel 24, lid 2, aangewezen orgaan van een van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioenen, voorzover genoemde pensioengerechtigde en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen indien zij zouden wonen in die lidstaat.
Artikel 30 – Premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden
1. Het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, kan slechts deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, heffen en innen voorzover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde lidstaat.
2. Wanneer een pensioengerechtigde, in de in artikel 25 bedoelde Pro gevallen, krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, premies of bijdragen, of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor het verkrijgen van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, zijn deze niet invorderbaar uit hoofde van zijn woonplaats aldaar.
Artikel 31 – Algemene bepaling
De artikelen 23 tot en met 30 zijn niet van toepassing op een pensioengerechtigde of zijn gezinsleden die op grond van de wetgeving van een lidstaat wegens het verrichten van werkzaamheden al dan niet in loondienst recht hebben op prestaties. In dat geval wordt de betrokkene voor de toepassing van dit hoofdstuk behandeld overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 21.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Sociale verzekeringsbank.
3.Christelijke Mutualiteit.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 4 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:857 en van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:263.
5.Zorgverzekeringswet.
6.Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:569.
8.Vergelijk de uitspraken van de Raad van 11 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1382 en van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:421.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 4 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1944 en van 4 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:857.
10.Zie de uitspraak van de Raad van 14 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1797.
11.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.