ECLI:NL:CRVB:2026:749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ZW- en WAZO-uitkeringen en herziening WIA-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplicht
Appellante was werkzaam als lid van de Raad van Toezicht van Stichting 1 en als verzorgende bij Stichting 2, en ontving ZW-, WAZO- en WIA-uitkeringen. Het UWV trok deze uitkeringen in en herzag de WIA-uitkering omdat appellante niet verplicht verzekerd was volgens de werknemersverzekeringswetten, vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding en daarmee een dienstbetrekking.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en stelde dat het UWV terecht handelde. Appellante voerde onder meer aan dat het onderzoek onrechtmatig was, dat er wel sprake was van een dienstbetrekking, en dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was, het UWV voldoende bewijs had geleverd dat geen dienstbetrekking bestond, en dat de intrekking en terugvordering terecht waren.
Ook de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 44,09% per 31 juli 2022 werd bevestigd. Appellante kreeg een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De hoger beroepen van de Stichtingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
Uitkomst: De intrekking van de ZW- en WAZO-uitkeringen, herziening van de WIA-uitkering en terugvorderingen worden bevestigd; de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 44,09%.